Recensie

Kostelijke anekdote mist pointe

Biopic

De uitbundig geklede rockster Elvis banjerde het domein van de stijve president Nixon binnen. Met het gouden duo Michael Shannon en Kevin Spacey moest dat wel een mooie film kunnen opleveren. Maar het script is te mager.

Kevin Spacey als Nixon en Michael Shannon als Elvis.

Junkies wereldwijd moeten in een kramp van het lachen hebben gelegen toen het Witte Huis de foto’s vrijgaf van een treffen tussen rock-’n-roller Elvis Presley en president Richard Nixon in het Oval Office op 21 december 1970. Elvis kwam klagen over de tegencultuur en hippies, zedenverwildering en drugs. Nixon benoemde hem tot narcotica-agent.

En Elvis was zo stoned als een garnaal. ‘The King’ vermeed alcohol en illegale drugs, maar was grootverbruiker van legale uppers en downers. In de acht maanden voor zijn dood in 1977 schreef zijn lijfarts hem zo’n negenduizend pillen voor, waaronder amytal sodium, quaaludes, dexedrine, bifetamine, percodan en dilaudid.

Eind 1970 vloog Elvis impulsief en zonder entourage naar Washington om honorair federaal agent te worden: Elvis verzamelde politiebadges als een soort padvindersspeldjes. Het Witte Huis hapte toe: een handdruk van The King stond goed nu Nixon een oorlog tegen drugs uitriep, ook al was de 35-jarige na een verloren decennium als zingende filmster nauwelijks nog een jeugdidool. En zo banjerde Elvis met zijn paarse cape, wandelstok, gouden broekgesp en kettingen het domein van de stijve, paranoïde Nixon binnen, zoals altijd gekleed als manager van een meubelzaak. „U kleedt zich nogal uitbundig”, constateert Nixon. „Meneer de president, u brengt uw show, ik de mijne.”

Dat met het gouden duo Michael Shannon (Elvis) en Kevin Spacey (Nixon): wat kan er misgaan? Het scenario. De makers van Elvis and Nixon vinden deze popculturele anekdote op zichzelf al zo kostelijk dat niet lijkt nagedacht over een pointe. We zien twee wereldvreemde mannen: Elvis de dovende ster, gevangen in zijn imago, Nixon de machineman, opgesloten in protocol. Na een duel van dominantie herkennen de alfamannetjes elkaars eenzaamheid.

Dat blijkt te mager voor anderhalf uur dralen door Washington met een Elvis die van Michael Shannon net iets te veel melancholieke waardigheid krijgt. Zijn medicijnmisbruik wordt nergens aangestipt, in deze context onvergeeflijk. De kribbige loebas Nixon is iets beter, maar ook Kevin Spacey zie je spelen. Nixon lijkt de ontmoeting overigens al na vijf minuten vergeten, en zo vergaat het je als kijker ook.