Elvis spelen is niet hetzelfde als Elvis imiteren

Elvis-incarnaties

Michael Shannon roept met zijn Elvis-vertolking in Elvis & Nixon meer twijfel op dan Kevin Spacey die Nixon speelt. Dat ligt niet alleen aan Michael Shannon. Wie Elvis Presley speelt, heeft zijn charisma nodig.

De echte Elvis, toen die in 1970 een ontmoeting met president Nixon wist af te dwingen.

Elvis Presley – is dat een rol die door elke acteur kan worden gespeeld als hij maar goed genoeg is? Die vraag doet zich deze week weer voor, nu de film Elvis & Nixon in roulatie gaat, met de gerenommeerde Broadway- en Hollywood-acteur Michael Shannon in de rol van de legendarische rock-’n-rollheld. Het lijkt wel alsof hij aan hogere eisen moet voldoen dan zijn tegenspeler Kevin Spacey, wiens Nixon-vertolking al snel acceptabel is. Terwijl deze Elvis-figuur veel meer twijfels oproept.

Dat kan niet alleen aan Michael Shannon liggen. Met veel gevoel voor nuancering speelt hij een dwingeland die weinig contact met de echte wereld meer heeft. Hij meent, zo te zien, in alle oprechtheid dat zijn vaderland erbij gebaat zal zijn als hij een rol in de oorlog tegen de drugs zou krijgen. Hij zou daarmee wel eens dicht in de buurt kunnen komen van de echte Elvis, toen die in 1970 een ontmoeting met president Nixon wist af te dwingen.

Lees ook de recensie: Kostelijke anekdote mist pointe

Uiterlijk lijkt Shannon nergens naar. Presley vertoonde destijds, op zijn 35ste, nog een babyface en groeide onvermijdelijk toe naar de hangwangen van zijn latere jaren. Shannon, in werkelijkheid een beginnende veertiger, heeft een tanig hoofd met een paar diepe groeven en een katachtige tred. En zijn priemende ogen zijn veel sprekender dan de ietwat blanco blik van de echte Elvis uit die dagen.

Elvis spelen is niet hetzelfde als Elvis imiteren, zegt elke acteur die ooit in deze rol verscheen. Dat is waar. Een imitator verzandt al gauw in een karikatuur – zie de vele duizenden Elvis-imitatoren die elkaar fel beconcurreren in de meest extreme uitdossingen. De kijker moet kunnen geloven dat dit de man is die miljoenen meisjes- en jongensharten beroerde met zijn muziek en met zijn aanwezigheid. En dat lukt alleen als de acteur zelf ook charismatisch is. Misschien is dat wel de belangrijkste hinderpaal voor het genre van de Elvis-biofilms.

Hoeveel acteurs intussen de rol van Elvis Presley hebben gespeeld, staat niet volledig vast. Mag bijvoorbeeld de film Finding Graceland (1998) meetellen, waarin Harvey Keitel een nondescripte man speelt die zich voor Elvis uitgeeft? Zijn uitvoering van Suspicious minds is niet bepaald opwindend, maar dat kan heel goed de bedoeling zijn geweest. Ook zijn er films over andere grootheden, zoals Walk the line (2005) over Johnny Cash, waarin de Elvis-figuur, hier gespeeld door Tyler Hilton, een bijrol is.

Alles bij elkaar moeten er een stuk of twintig biofilms over Elvis Presley zijn gemaakt. Waarbij opvalt dat het merendeel in eerste instantie werd gemaakt voor Amerikaanse tv-stations, waarna slechts een handjevol na een hermontage in Europese bioscopen belandde.

Dat gold onder meer voor de eerste Elvis-biofilm aller tijden, die tevens bekendstaat als een van de betere. Elvis werd in 1979 – slechts anderhalf jaar na ’s mans dood – gemaakt door de toen nog als genrefilmer bekende John Carpenter, en vertelde het levensverhaal volgens de lijnen die daarna door de meeste anderen zijn nagevolgd: de brave jongen uit het eenvoudige milieu, die uitgroeit tot wereldster, weldoener en vaderlandslievend voorbeeld voor velen. Elvis’ artistieke en fysieke neergang van de latere jaren bleef echter lafhartig buiten beeld.

Carpenter gaf zijn film een triomfantelijke finale door te stoppen bij de glorieuze comeback in Las Vegas, anno 1969. Maar hij bracht de gebeurtenissen levendig en sfeervol in beeld. De jongensachtige flair van hoofdrolspeler Kurt Russell zorgde voor veel extra charme. Hoewel hij de songs playbackte bij de stem van countryzanger Ronnie McDowell, schiep hij toch de volksheld die het publiek wilde zien.

Kurt Russell, die als kindacteur al eens een rolletje tegenover de echte Elvis Presley had gespeeld in diens showfilm It happened at the World’s Fair, is een van de weinige bekende acteurs die ooit een Elvis-rol speelden. Van de meeste anderen werd nadien niet veel meer gehoord. Michael St. Gerard, die in 1990 de hoofdrol speelde in een tv-serie die eveneens Elvis heette, heeft zelfs een complete carrièredraai gemaakt door kerkelijk jongerenbegeleider in New York te worden. En dan te bedenken dat hij een van de betere Elvissen was – met zijn babyface, zijn broeierige ogen, de opgetrokken mondhoeken waarmee hij af en toe een onzeker lachje laat zien, en zijn wulpse heupen.

Ook lang niet gek is Jonathan Rhys Meyers in de korte tv-serie Elvis, the early years (2005). Hij kreeg er zelfs een Golden Globe voor. Maar de titel zegt het al: hij hoefde alleen de beginnende Elvis te vertolken toen die nog fris, fruitig en fenomenaal was.

Een van de slechtste Elvis-vertolkers was daarentegen Rick Peters, in de komisch bedoelde film Elvis meets Nixon (1997) – over een ontmoeting die dus al eens eerder is verfilmd. Hij speelde een seksloze, dikkige man met slecht zittende kostuums en vormeloos lelijke pruiken op zijn bolle hoofd. Zo bespottelijk is Elvis Presley zelfs in zijn slechtste jaren nimmer geweest.

Maar ook de betere film-Elvissen zijn er nooit helemaal in geslaagd ’s mans overrompelende faam geheel geloofwaardig te maken. Misschien omdat zestig jaar na dato niet meer begrijpelijk valt te maken hoe baanbrekend hij was. En misschien ook omdat zijn charisma gewoonweg niet te evenaren is. Niets of niemand kon tegen hem op. De ideale Elvis Presley is Elvis Presley zelf.