Schatzoeken in een Dalfser nieuwbouwwijk

Waar nieuwbouw is gepland, treft Dalfsen 5.000 jaar geschiedenis. Amateurarcheologen speuren naar de vroegste Nederlanders.

Zo’n dertig gravers, de meesten vrijwilligers uit de buurt, leggen centimeter voor centimeter de ondergrond bloot. Foto's Eva Flendrie

‘Linkshandig? Iemand?” De gravers blijven stil, ze leunen op hun scheppen. „Niemand?” De groepsleider gaat de gezichten af. Vraag is wie de eerste schep mag zetten; vanwege de hoek zou een linkshandige ideaal zijn. Dan steekt Ab Goutbeek (80) aarzelend zijn hand op. „Ik ben links.” Zijn stropdas zwaait hij over zijn schouder, hij stapt naar voren en zachtjes schoffelt hij een laagje fijn, donker zand van de bodem dat vrijwel meteen verstuift.

Rumoer. Het schatzoeken is begonnen.

Vanaf een afstand lijken het gigantische molshopen. Middenin een weiland in het Overijsselse plaatsje Dalfsen is met een graafmachine een gat gemaakt, anderhalve meter diep, ter grootte van een voetbalveld. Archeologen hopen hier restanten te vinden van oude beschavingen. In 2015 werd op deze plek al een grafveld blootgelegd uit de tijd van de hunebedbouwers, circa 5.000 jaar geleden.

Zo’n dertig gravers, de meesten vrijwilligers uit de buurt, leggen centimeter voor centimeter de ondergrond bloot. Onder de donkere aarde komt een fluweelachtige laag geel zand tevoorschijn, vol vlekken en verkleuringen. Die vertellen, als je ze kunt lezen, het verhaal van wat zich hier afspeelde in de Nederlandse prehistorie.

Tussen de blauwe sponsorshirts van de gemeente (opdruk: ‘Schat van Dalfsen’) valt Ab Goutbeek uit de toon. Tweedjasje, ribbroek en een das boven groene kaplaarzen. Met een kam legt hij af en toe zijn witte haar plat. Graver Anton de Ruiter (60) noemt hem „een Dalfs archeologisch fenomeen”.

En ja hoor, al na een paar minuten heeft juist hij beet. Met zijn pen trekt Goutbeek een cirkel om een donkere plek in het zand. „Een paalgat”, constateert hij. Mogelijk van een nederzetting van duizenden jaren geleden – of „ gewoon een litteken van een boerenomheining”, niet zo oud. Dat gaan de professionals later beoordelen. Zijn vrouw plaatst een nummertje bij de vondst.

Archeologisch fenomeen

In Dalfsen lééft de prehistorie. Je groeit er hier mee op. „Ik ben geboren in een klein huisje even verderop”, vertelt Ab Goutbeek. „Twee meter van mijn bedstee groeide het koren. Ik leefde buiten. Dan ken je de omgeving op je duimpje, zodat alles wat afwijkt meteen opvalt.” Aan de lopende band vond hij als kind potscherven, vuursteentjes, werktuigen. Zo werd hij, naast bloemist, ook amateurarcheoloog.

Het is de geschiedenis van de vroegste Nederlanders die hier uit de grond naar boven komt. Goutbeek wil maar zeggen: dit is voor iedereen interessant, niet alleen voor Dalfsenaren. „Een tijd terug vonden we hier graven, ook één van een kind met daarin een klein bekertje. Dat zegt iets over wie wij zijn als Nederlanders. Doe je ogen eens dicht en stel je voor: de emoties die mensen hier, precies waar wij staan, duizenden jaren geleden hebben gevoeld.”

Scherpe kreten

Verleden en toekomst ontmoeten elkaar rond dit veld in Dalfsen. Om de uitgraving heen wordt een nieuwbouwwijk uit de grond gestampt, gedeeltelijk met moderne ‘e-woningen’: zelfvoorzienend en van duurzaam materiaal. Maar de gloednieuwe straten hebben namen als ‘Steentijd’ en ‘Hamerbijl’.

„Binnenkort wordt over al dit land heen gebouwd”, zegt amateurarcheoloog Anton de Ruiter. „Daarom is het zo belangrijk dat we nú uit de grond naar boven halen wat erin zit. Straks is het te laat.”

Wat niet helpt vandaag: het weer. Stralende zon is voor archeologen dikke pech. „Ik erger me kapot”, zegt Niels Bouma, de beroepsarcheoloog die de opgraving vandaag overziet. „Alles wordt één grote stuifwoestijn.” Droog zand is effen, en effen is lastig te lezen. „Mensen zeggen altijd tegen mij: wat een heerlijk beroep heb jij zo met dit mooie weer. Nou, van mij mag het een stukje minder.”

Het zachte ruisen van de scheppen zand, wordt sporadisch onderbroken door een scherpe kreet. „Hier! Hier!”

Stukjes menselijk bot

Vrijwilligers Linda (46) en Daisy (29) en archeologiestudent Nynke de Boer (23) zitten op hun knieën in het zand. Met troffels leggen ze behoedzaam een donkere plek in de grond bloot. Het begint iets weg te krijgen van een zandkasteel. „Dit is blijkbaar een crematiegraf”, zegt Daisy. „Bi-zar. Je bent hier één dag en kijk wat je allemaal vindt.”

Volgens Niels Bouma is het graf mogelijk 3.500 jaar oud. „Minimaal de midden-Bronstijd.” En inderdaad, al gauw komen ze de eerste stukjes menselijk bot tegen.

Het blijkt alleen de onderkant van het graf te zijn. „Het mooiste gedeelte ligt vast daar”, zegt Nynke, en ze wijst op één van de zandhopen aan de rand van het veld. „De bovenkant is er door de machine af gegraven.”

Schervenbusiness

Aan het einde van de middag ligt het veld bezaaid met wapperende plastic zakjes en nummers. Niels Bouma sleept een apparaat over het veld dat lijkt op een reusachtige metaaldetector. Het is een GPS-paal, waarmee de vondsten meteen op een digitale kaart worden geregistreerd. Die zijn op deze eerste graafdag: talloze stukjes houtskool, vuursteen, baksteen, maar ook karrensporen en een greppel, vermoedelijk een eeuwenoud irrigatiekanaal.

„Niet slecht”, zegt Bouma, „maar pas het begin.” De opgraving in Dalfsen zal de komende vier weken in beslag nemen. Meer dan tweehonderd vrijwilligers en studenten helpen mee.

Is dit werk eigenlijk niet te fijngevoelig voor amateurs met scheppen? Is hij niet bang dat mensen iets kapotmaken? „Ach, eigenlijk niet.” Hoe dat komt? Archeologie is schervenbusiness. Bouma: „Inherent aan ons vak: het meeste wat je vindt, is toch al kapot.”