Column

Neushoorn

Veel mensen zijn trots of ze krijgen last van nostalgische gevoelens als ‘hun stad’ het nieuws haalt, maar Ahmed Marcouch is aan het overdrijven. Een paar weken geleden wist de nieuwbakken burgemeester van Arnhem nog geen straat te noemen in ‘zijn stad’, maar nu communiceert – ‘kraait’ is misschien een beter woord – hij dagelijks over Arnhem.

Alleen maar positieve dingen, zoals dat hij ‘trots’ en ‘blij’ is omdat er in Burgers’ Zoo een breedlipneushoorn (‘Wiesje’) is geboren. Dat hoort bij de functie, denk ik dan, want hoezo zou je vanbinnen warm worden als een Amerikaanse verspringster ( Tianna Bartoletta) in het Sportjournaal zegt dat ze de bossen rondom nationaal sportcentrum Papendal zo mooi vindt als je daar zelf nog nooit bent geweest?

Toen ik pas in Amsterdam woonde, begon ik ook niet te glimmen als een beroemdheid de grachten of het Rijksmuseum prees, maar ik ben dan ook geen burgemeester. Als geboren Arnhemmer doen de geboorte van een neushoorn en de lofzang op ‘onze’ bossen me trouwens ook niets.

En toch heb ik iedere keer als ik terugkeer in mijn geboortestad last van nostalgische gevoelens die nergens op gebaseerd zijn. Toen ik vorige week met de laatste trein vanuit Amsterdam weer aankwam, voelde dat toch als thuiskomen. Vroeger hadden ze in Arnhem een klein, ongezellig station waar je tot in de nacht gegrilde kippenpoten kon kopen. Tegenwoordig hebben ze een groot, ongezellig station, waardoor het oude station van vroeger in mijn geheugen opeens gezellig wordt.

Ik kwam donderdagavond aan in die verlaten, betonnen bak en er was meteen een bewaker om me van een afstandje toe te roepen dat er maar één uitcheckpoortje in werking was en dat ik voor een verkeerd poortje stond.

„Nee, die andere dus.”

“Ja ja”, zei ik.

Hij: „En nou geen grote mond, hè?”

Ik ken geen andere plaats waar een uniform zo veel doet met de mens die erin is gekropen als in Arnhem. Ik wist uit ervaring dat als ik ‘Rustig maar’ zou terugroepen, ik daar dan onevenredig voor zou moeten boeten.

Ik baande me een weg door het lawaai van de Korenmarkt, waar het er nog net zo onvriendelijk aan toeging als in mijn jeugd. Rondhangen met te veel bier op, een puberteit lang wanhopig wachten tot de gezelligheid gaat beginnen. Behalve wat gedeelde ervaringen had ik niets gemeen met de mensen daar, behalve dan dat ik zeker wist dat ze net als ik niet trots waren dat er in Arnhem een breedlipneushoorn is geboren.

schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.