Mevrouw sloeg met de scherpe kant, direct op het hoofd

Wie: Ana F.

Kwestie: poging tot doodslag

Waar: rechtbank Rotterdam

„Ik kon niet anders op dat moment.” Ana F., 54 jaar, zit onrustig en spreekt met onvaste stem als ze de rechter antwoordt wat zij vindt van de aanklacht ‘poging tot doodslag’. Maar ze is vastberaden. „Mijn vriend lag bewusteloos op de grond, ze stonden met z’n tweeën tegen zijn hoofd te schoppen, ik kreeg ook een klap en ik hoor de buurvrouw schreeuwen: maak ze allebei dood.”

Ze weet nog dat ze het eerste voorwerp pakte dat ze kon vinden, zegt ze; een schep uit haar moestuin naast het huis. Maar hoe en waar ze haar buurman precies raakte – daar weet ze niets meer van.

En waar ze de buurman raakte met de schep, dat is nu juist het probleem volgens de aanklager. Vol op de zijkant van zijn hoofd, met de scherpe kant van de schep. F. heeft geluk dat hij daar alleen een litteken en geen ernstig hersenletsel aan heeft overgehouden, of erger, houdt de officier van justitie de rechtbank voor. „Mevrouw pakt de schep, dreigt niet, slaat niet met de platte kant, en ze slaat direct op het hoofd, het meest kwetsbare gedeelte van het lichaam.” De kans dat de buurman zou overlijden of zwaargewond zou raken, heeft F. daarmee voor lief genomen. En de klap was niet nodig om zich te verdedigen, zegt de officier. „Mevrouw heeft gekozen om naar buiten te komen, ze zoekt de situatie zelf op.” Dus op noodweer kan F. zich volgens de officier niet beroepen.

Mijn vriend lag bewusteloos op de grond, ze stonden met z’n tweeën tegen zijn hoofd te schoppen.

Jaren van ergernis en onbegrip

Hoe het zover heeft kunnen komen, wil de rechter weten. F. en haar vriend, die getergd achter in de zaal zit, hebben geen strafblad. De buren evenmin.

Dan volgt een benauwend relaas van jaren van wederzijdse ergernis, onbegrip en miscommunicatie. Het kernpatroon: de buren vinden dat F. en haar partner te veel lawaai maken, en reageren door op muren te bonken, of bij hen op het keukenraam te slaan. F. werkt op het Erasmus MC, zegt ze, met ook veel oproepdiensten. Ze is vaak weg, ook ’s nachts, en komt dan soms met een taxi thuis van haar werk. „De buren zeggen dan; mevrouw speelt de hoer. Met zulke mensen hoef ik niet in gesprek te gaan.”

Natuurlijk, haar vriend – die ook werkt – kijkt graag voetbal, misschien staat het geluid dan weleens hard. En de ramen staan vaak open. En als ze met haar broers belt over haar oude vader gaat dat in het Portugees, misschien spreekt ze dan luid. F. haalt haar schouders op terwijl ze het zegt.

Bonken op de deur

De ochtend van het incident, in mei, had F. om zes uur ontbeten en vervolgens belde ze met familie. „Mijn vriend keek tv, we zouden die dag naar Amsterdam gaan.” Plotseling hoort F. bonken op de deur, en wordt er gespuugd tegen het raam. „‘Kankerhoer, kom naar buiten’, hoor ik.” Buiten staan de uit de kluiten gewassen buurman en zijn even stevige zoon. Haar vriend pakt een mes voordat hij naar buiten loopt, maar zij zegt dat ze dat niet heeft gezien omdat ze paniekerig een telefoon zocht om de politie te bellen. Maar als ze ziet dat haar vriend neergeslagen is en op de grond ligt, stormt ze naar buiten.

Ik hoor de buurvrouw schreeuwen: maak ze allebei dood.

Het heeft iets onwerkelijks, hoe uitgebreid en langdurig er gesproken wordt over de paar seconden tussen het naar buiten stormen en de klap met de schep. Hoeveel stappen was het naar de schep, wist ze vooraf waar die stond, kon ze hem zo zien, wist ze al die tijd waar de buurman was? Iets wat voor F. ongetwijfeld voelde als één daad om haar geliefde te beschermen, wordt behandeld als een reeks individuele beslissingen, die allemaal anders hadden kunnen – en volgens de officier ook moeten – uitvallen. Ze eist tweehonderd uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechter beslist anders. Hij vindt het wel noodweer. Mevrouw is fysiek kleiner, was alleen tegen de twee mannen, en kon denken dat haar vriend in serieus gevaar was. Dus hoewel F. schuldig is aan de poging tot zwaar lichamelijk letsel, wordt ze toch ‘ontslagen van alle rechtsvervolging’, zoals dat heet. Geen vrijspraak, wel vrijuit.