Madrid wil ze laten rusten, de Catalanen graven ze op

Massagraven

Er liggen 114.000 nationalisten en republikeinen uit de Spaanse Burgeroorlog in anonieme massagraven. De Catalaanse separatisten willen hen alsnog eren.

Vrijwilligers zoeken naar stoffelijke resten in een massagraf in Guadalajara, in Centraal-Spanje. Foto Jorge Sanz/ Getty

In de verzengende hitte van het Catalaanse platteland legt een groepje forensische experts een graf met zeventien lichamen bloot. Met borstels worden de botten nauwkeurig schoongeveegd. Hoogstwaarschijnlijk zijn het franquisten: soldaten van het nationale leger die in de lente van 1938 tijdens de Spaanse burgeroorlog zijn gesneuveld bij een van de vele gevechten nabij het plaatsje Figuerola d’Orcau. „Van onze grootouders wisten we wel dat hier heel hard gevochten is. In dit gebied zijn duizenden mensen gestorven”, zegt burgemeester Constantino Aranda.

Naar verluidt liggen er nog 114.000 nationalisten en republikeinen in anonieme massagraven, verspreid over heel Spanje. De Catalaanse regioregering wil de komende jaren in Catalonië alsnog zoveel mogelijk resten laten opgraven en identificeren, om slachtoffers op waardige wijze opnieuw te begraven. „Heel veel mensen hebben nooit afscheid kunnen nemen van hun naasten. Wij vinden het heel belangrijk dat dit alsnog gebeurt. We zien dat als onze verantwoordelijkheid”, zegt Raül Romeva, die binnen de Catalaanse regering verantwoordelijk is voor Buitenlandse Zaken.

Met het herbegraven zetten de Catalaanse separatisten zich af tegen ‘Madrid’. Spanje worstelt nog altijd met het verleden van een bloedige burgeroorlog (1936-1939) en de daarop volgende dictatuur van Francisco Franco. Na de dood van El Caudillo, in november 1975, besloten diverse partijen dat het verleden beter met rust gelaten kon worden. Op Spaanse middelbare scholen stoppen de geschiedenislessen doorgaans als het recente verleden aan de orde zou moeten komen. Het wordt simpelweg verzwegen.

Heel veel mensen hebben nooit afscheid kunnen nemen van hun naasten. Wij vinden het heel belangrijk dat dit alsnog gebeurt.

De nationale regering van de conservatieve Mariano Rajoy houdt het liefst vast aan de Amnestiewet van 1977. Linkse politieke gevangenen kwamen daardoor vrij en rechtse leiders bleef vervolging bespaard. Daar moest het eeuwig bij blijven.

Dit pact wankelt. Sinds de eeuwwisseling zijn er op uiteenlopende plekken in Spanje op privé-initiatief toch massagraven geopend. Met de hulp van vrijwilligers worden mensen opnieuw begraven. Tot ergernis van de Spaanse regering, die vindt dat er „geen oude wonden” open moeten worden gehaald. Een nationaal project voor het openleggen van de massagraven blijft dan ook vooralsnog uit.

De Catalanen hebben besloten om hun eigen plan te trekken. De regioregering trekt 800.000 euro uit om resten boven te halen uit de circa vijfhonderd al in kaart gebrachte graven, om die vervolgens te koppelen aan een databank met DNA van nabestaanden. Romeva lacht als hem wordt gevraagd of het niet vreemd is dat een regio met zo’n gevoelig onderwerp een totaal andere weg bewandelt dan de regering. „Regionaal? Hoezo? Dit is toch een nationaal Catalaans plan?” zegt hij, met een knipoog naar het geplande referendum van 1 oktober waarbij de Catalanen over afscheiding van Spanje hopen te kunnen stemmen.

Nationalisten

Terug naar Figuerola d’Orcau. Hier is deze zomer het eerste massagraf met steun van de Catalaanse regering opgegraven. Na tal van gesprekken met dorpsbewoners kwamen onderzoekers uit naast de muur van een kerkhof, waar een groepje jongemannen moest liggen. Het dorp was in handen van de nationalisten, zegt burgemeester Aranda. „Maar vanuit hoger gelegen gebied vielen de republikeinen aan. Op nog geen twee kilometer afstand stonden de partijen tegenover elkaar. De nationalisten brachten hun doden en gewonden naar Figuerola d’Orcau.”

De resten in het Catalaanse plaatsje zijn volgens de onderzoekers vrijwel zeker van soldaten. „Als je naar dit graf kijkt, zie je dat de lichamen keurig op een rijtje liggen. Aan de houding van de voeten kun je zien dat ze laarzen droegen. En ook een aantal kleine gevonden voorwerpen wijzen erop dat dit troepen van Franco waren. Maar om dat helemaal zeker te weten, zullen we dat nauwkeurig in een laboratorium gaan onderzoeken”, zegt onderzoeker en historicus Jordi Ramos.

De Catalaan Ramos wijst de kritiek dat hij oude wonden open zou halen resoluut van de hand. „Nee, ik zie niet in waarom dat het geval zou zijn. Deze zeventien mannen hebben hier bijna tachtig jaar anoniem onder de grond gelegen. Het maakt ons ook niet uit aan welke kant deze mensen stonden. Alle slachtoffers hebben recht op waardigheid. Als onderzoekers maken we geen verschil tussen republikeinen en franquisten.” De verwachting is wel dat er meer republikeinen onder de anonieme doden zullen zijn.

Als onderzoekers maken we geen verschil tussen republikeinen en franquisten.

De Catalaanse regering roept alle nabestaanden op om hun verhaal te doen en genetisch materiaal af te staan. Inmiddels hebben 5.500 mensen zich gemeld. Ze worden allemaal uitgenodigd voor een gesprek op een speciaal ingerichte afdeling van het hospitaal Vall d’Hebron in Barcelona. Josep Maria Tarragona Martí (80) is een van de achthonderd mensen die inmiddels hun DNA-materiaal hebben afgegeven. Hij is op zoek naar de overblijfselen van twee gesneuvelde ooms.

Novgorod

In een van de vele spreekkamers van het grootste ziekenhuis van Catalonië doet hij zijn verhaal aan een forensische arts. Tarragona Martí haalt twee oude, vergeelde foto’s tevoorschijn. Allereerst wijst hij op de jeugdige Arturo Tarragona Calafell.

„De kans dat we ooit nog iets terugvinden van de broer van mijn vader is nihil. Hij maakte deel uit van de División Azul, waarin Spaanse soldaten zaten die aan Duitse zijde in Rusland vochten. Mijn oom Arturo zou in 1943 bij Novgorod [in het noordwesten van Rusland] zijn gesneuveld. Ik ben er ooit geweest om hem zijn laatste eer te bewijzen.”

De arts legt het verhaal van Tarragona Martí nauwkeurig vast, maar stelt vast dat de Catalaanse regering niet naar Rusland zal gaan om daar te graven in het verleden.

Hierop schakelt Tarragona Martí over naar zijn andere oom: Lluís Martín Morera, de broer van zijn moeder. „Hij is in 1938 op zijn zeventiende overleden. Mijn oom is doodgeschoten toen hij van de franquisten wilde overstappen naar de republikeinen. Zijn lichaam moet ergens nabij de plaats Balaguer liggen. Ik hou van mijn beide ooms evenveel. Ze hebben hetzelfde vlees en bloed als ik. Aan welke kant ze stonden, doet er niet toe.”

Het aantal overlevenden van de bloedige slagen in de burgeroorlog dunt steeds verder uit. De 97-jarige Miquel Morera Darbrá kan zich de gevechten tegen de nationalisten in Catalonië nog helder voor de geest halen.

„We hoorden bij de rooien. Op mijn zestiende vocht ik met toestemming van mijn vader al aan het begin van de burgeroorlog bij Teruel. Ik heb heel veel van mijn maatjes zien sneuvelen. We waren kanonnenvoer. Het allerergste moment? Als ik geen kogels meer had. Dan was je compleet machteloos. Ik heb talloze franquisten doodgeschoten. Daar heb ik geen wroeging van. Het was hij of ik. Ik moest mezelf verdedigen. Anders zou ik het nooit hebben overleefd. Zo gaat dat in een oorlog.”