Een pionier van de orgaantransplantatie

Immunoloog Jon van Rood (1926-2017) liep voorop bij het transplanteren van organen. De Nobelprijs liep hij net mis.

Jon van Rood laat bloed aftappen door een medewerkster (links). Rechts: recentelijk op het water.

Jaarlijks krijgen zo’n duizend ernstig zieke mensen in Nederland een nieuwe nier. Dat orgaantransplantatie zo ‘gewoon’ is geworden, is voor een belangrijk deel te danken aan de Leidse immunoloog Jon van Rood, die op 21 juli op 91-jarige leeftijd is overleden.

Van Rood was in 1967 de drijvende kracht achter de oprichting van de stichting Eurotransplant, een organisatie die voor iedere patiënt op de wachtlijst een donor zoekt met overeenkomstige weefselkenmerken, met als doel het risico op afstoting zo klein mogelijk te houden. Van Rood zag destijds onmiddellijk in dat dit internationaal georganiseerd moest worden om de kans op een match zo groot mogelijk te maken. Aan Eurotransplant, dat dit jaar zijn vijftigste verjaardag viert, doen nu acht Europese landen mee.

Zich vaak verschuilend om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, begon Van Rood in 1944 aan een studie medicijnen in Leiden. Al tijdens zijn opleiding tot internist werd Van Rood benoemd tot hoofd van de Bloedbank, een functie die hij 39 jaar zou behouden. In 1958 publiceerde hij een artikel in Nature waarin hij een nieuw soort afstotingsreactie beschreef. Die kwam hij op het spoor toen een zwangere vrouw na een bloedtransfusie plotseling een heftige transfusiereactie kreeg. Van Rood redeneerde dat de opeenvolgende zwangerschappen het lichaam van de vrouw gevoelig hadden gemaakt voor de celkenmerken van haar man. Diezelfde kenmerken hadden toevallig ook in het donorbloed gezeten. Dat vermoeden bleek helemaal juist.

Het sloot naadloos aan bij de ontdekking van de Franse onderzoeker Jean Dausset twee jaar eerder dat witte bloedcellen een afweerreactie konden oproepen. Tot dan toe was dat alleen bekend van rode bloedcellen. Van Rood realiseerde zich dat dit ook belangrijk is bij orgaantransplantatie; als de weefselkenmerken van donor en patiënt niet overeenkomen, treedt er heftige afstoting op.

In zijn eerste onderzoeken naar afstoting gebruikte Van Rood zichzelf en enkele medewerkers als proefkonijn. Hij liet enkele rondjes huid van collega's op zijn arm transplanteren om aan te tonen dat de huid van de collega waarvan de weefselkenmerken het meest verschilden met die van zijn huid het sterkst werd afgestoten. De littekens ervan droeg hij zijn leven lang als een trofee op zijn linkerarm.

Van Rood liep vaak voorop bij nieuwe ontwikkelingen. Hij was een van de artsen die in 1966 meewerkte aan de eerste niertransplantatie in Nederland, en was twee jaar later ook betrokken bij de eerste Europese beenmergtransplantatie.

Hij was een doorzetter die niet losliet voor hij voor elkaar had wat hij wilde en eiste die inzet ook van anderen. „Ik was uit hetzelfde hout gesneden dus ik kon daar goed mee omgaan”, zegt Els Goulmy (emeritus transplantatiebiologie) die in 1972 in het lab van Van Rood bij de bloedbank in Leiden kwam werken. Maar hij ging ver, zegt ze. „Hij verbood mensen bijvoorbeeld ’s ochtends eerst koffie te halen. Meteen beginnen met werken, de koffie moest maar wachten tot de pauze – die hij zelf overigens steevast oversloeg.”

Zijn grootste verdriet was het mislopen van de Nobelprijs in 1980. Dausset en twee Amerikaanse onderzoekers kregen de Nobelprijs Geneeskunde voor hun ontdekkingen aan het menselijk systeem voor weefseltypering. Van Rood werd gepasseerd.

„Dat was moeilijk te verkroppen”, zegt Frits Koning (hoogleraar immunologie in Leiden) die in 1980 bij Van Rood kwam werken. Els Goulmy: „Ik herinner me nog precies de ochtend dat hij het nieuws in de koffiekamer aan zijn hele groep vertelde. Hij was heel erg geëmotioneerd.”

„Het was zeer onfortuinlijk dat hij buiten de boot viel, en onverdiend”, zegt Koning. „Het kwam door die rare regel dat de Nobelprijs aan niet meer dan drie wetenschappers mag worden gegeven.” Van Rood ontving vele andere prijzen en kreeg acht eredoctoraten, maar bleef dat zien als een doekje voor het bloeden.

Als fanatiek zeiler die zelf een Lemsteraak bezat, was Van Rood soms weken onderweg op zee. „Maar het werk was nooit ver weg”, zegt Koning en dat bleef zo tot op het laatst. Regelmatig kwam hij nog langs bij zijn oude vakgroep om de nieuwste ontwikkelingen te horen. De laatste wetenschappelijke publicatie die zijn naam draagt verscheen in juli.

Van Rood was getrouwd met Sacha van Tuyll van Serooskerken en had twee dochters, een zoon en zes kleinkinderen.