Amerikaans vuurwapenleed gaat in de doofpot

Letselpreventie

In de Verenigde Staten kon onderzoek naar de gevolgen van het wijd verbreide vuurwapenbezit toch al nooit op bijval rekenen. Onder Trump drogen de overheidsfondsen op.

Antonius W. werd geraakt door een verdwaalde kogel toen hij door een drukke straat in Brooklyn liep. Doelwit was een zwangere vrouw. Hij is één van de 101 overlevenden van Amerikaanse schietpartijen die Kathy Shorr portretteerde voor haar project-met-boek ‘Shot’. Kathy Shorr

Voor het applaus heeft David Hemenway (72) zijn lange loopbaan niet gewijd aan letselpreventie. De econoom en hoogleraar volksgezondheid zit onderuitgezakt in een bureaustoel in zijn kantoor aan de Harvard TH Chan School of Public Health in Boston. Zijn zwart-rode sportschoenen leunen comfortabel op een tafel.

„Alle medische gebouwen van de Harvard Universiteit dragen de naam van een dankbare rijke patiënt”, lacht Hemenway. „Maar deze faculteit heeft vier grote gebouwen, waarvan er twee gewoon gebouw 1 en 2 heten.” Wie bedank je als je niet vergiftigd wordt door de chemicaliën in je shampoo? Of als je niet op straat wordt neergeschoten? Niet de anonieme laborant of statisticus, zo blijkt.

Hemenway doet al 26 jaar epidemiologisch onderzoek naar de gevolgen van vuurwapenbezit voor de volksgezondheid en buigt zich over de vraag welk beleid letsel voorkomt. Al even lang ligt zijn vakgebied onder vuur. De extreme politisering van vuurwapens de afgelopen vijftig jaar heeft ervoor gezorgd dat er nauwelijks financiering is voor het werk van Hemenway en zijn collega’s. Zij vrezen voor de toekomst. „Als studenten langskomen”, zegt de hoogleraar, „laat ik ze niet al hun onderzoekswerk bij mij doen. Dat wil ik ze niet aandoen. In vuurwapengeweldpreventie is gewoon geen brood te verdienen.”

Momenteel wijden in de VS zo’n vijftien wetenschappers zich fulltime aan de epidemiologie van vuurwapengeweld. Jaarlijks publiceren honderdvijftig mensen in wetenschappelijke tijdschriften over het onderwerp, schat Hemenway op grond van eigen onderzoek.

Onderzoek aan de volksgezondheid is in de Verenigde Staten sowieso het ondergeschoven kindje van de wetenschap. Vorig jaar kregen twee landelijke instituten, de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) en het National Institute of Health (NIH), gezamenlijk zo’n 37 miljard dollar voor hun werk dat uiteenloopt van het begrijpen en bestrijden van Alzheimer tot voedselveiligheid. President Donald Trump wil de financiering van deze twee belangrijkste volksgezondheidsinstituten komend jaar terugbrengen naar 30 miljard dollar.

Financiële impact

Jaarlijks sterven er volgens de CDC zo’n 34.000 mensen door misdaden, ongelukken en zelfmoord met vuurwapens. Van hen is iets meer dan de helft onder de 18 jaar. Ieder jaar raken 81.000 mensen gewond door vuurwapengeweld. Recent onderzoek van artsen aan Stanford University raamt de financiële impact van ziekenhuisopname op 735 miljard dollar per jaar, waarvan de overheid bijna de helft voor haar rekening neemt via de sociale zekerheid, onverzekerde burgers een kwart betalen en particuliere verzekeraars 20 procent. „Daar moet je nog bij optellen de kosten van langdurige revalidatie of behandelingen, de schade aan gemeenschappen, toerisme of mensen die niet meer naar buiten durven gaan”, zegt Hemenway.

Van het beschikbare federale budget voor research door de CDC en het NIH gaat maar 2 procent naar letselpreventie. En nóg minder geld bereikt Hemenways expertisegebied: vuurwapengeweld. Begin dit jaar publiceerde The Journal of the American Medical Association een overzicht waaruit bleek dat wetenschappers als Hemenway tussen 2004 en 2014 in totaal maar 22 miljoen dollar subsidie ontvingen. In vergelijking met andere doodsoorzaken zoals kanker (596.000 doden per jaar) en de verhouding tussen hun onderzoeksfinanciering en het aantal slachtoffers, hadden de auteurs verwacht dat het bedrag voor vuurwapenletselpreventie minstens 1,4 miljard dollar zou zijn.

Geen jonge mensen meer

„De obstakels voor vuurwapenonderzoek zijn altijd al groot geweest”, vertelt Sandro Galea, decaan van de Boston University School of Public Health, na afloop van een panel van de New York University over vuurwapenbeleid in het tijdperk-Trump. „Er zijn bijna geen jonge mensen meer te vinden in ons veld. Om een goede epidemioloog te worden is meer dan tien jaar training en onderzoek nodig. Dat gebeurt gewoon niet meer.” Volgens hem gaat een hele generatie potentiële onderzoekers verloren. En dat is gevaarlijk, vindt hij. „Want in afwezigheid van data is er alleen maar ideologie.”

En het wordt de komende jaren erger, waarschuwt Galea. De Amerikaanse president is een bondgenoot van de machtige lobby-organisatie van de wapenindustrie, de National Rifle Association, die elke beperking op wapenbezit beschouwt als een inbreuk op de rechten van Amerikanen. Sinds januari wordt wapenwetgeving op staats- en federaal niveau stapsgewijs verzwakt. Donald Trump jr. wil het in samenwerking met wetgevers in Washington makkelijker maken om geluiddempers te kopen, door de tweehonderd dollar belasting en de wachttijd van negen maanden af te schaffen. De officiële reden: om het gehoor van de recreatieve schutter te beschermen. Critici zeggen dat de dempers misbruikt zullen worden om massaschietpartijen nog dodelijker te maken.

De reden voor de onderfinanciering van het onderzoek door mensen als Hemenway en Galea is simpel: die is politiek. Sinds 1996 mag de CDC geen onderzoek naar vuurwapens meer ondersteunen waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden om beperking van wapenwetten te bepleiten. Dit zogeheten Dickey-amendement werd doorgedrukt door Republikeinen en de wapenlobby.

Regelmatig uitgehongerd

Dit zorgt ervoor dat het onderzoeksgebied van Hemenway sindsdien systematisch wordt uitgehongerd. De econoom moet zelf zijn onderzoeksgeld bij elkaar schrapen bij non-profits zoals The Joyce Foundation of incidenteel bij overheidsinstanties zoals het ministerie van Veteranenzaken. Voor die laatste deed Hemenway bijvoorbeeld een studie naar zelfmoord onder teruggekeerde soldaten. Zijdelings met vuurwapens gerelateerd, want er bleek een correlatie te zijn tussen wapenbezit en zelfmoord. Het gaat hem niet om verbieden – „vuurwapens zijn een feit” – maar om het voorkomen van onnodig leed, zegt Hemenway. Hij lijkt niet zo rabiaat anti-wapen als de artikelen over hem op de NRA-website doen vermoeden.

Vorig jaar november kreeg Hemenway 650.000 dollar van het ministerie van Justitie voor onderzoek naar politiegeweld. Een eenmalige financiering, de desbetreffende afdeling lijkt na het aantreden van president Trump gestopt te zijn met het aannemen van nieuwe onderzoeksvoorstellen.

Hemenway en zijn collega’s moeten creatief zijn met het zoeken van financiering. Garen Wintemute (65), arts en hoogleraar spoedeisende geneeskunde aan de Universiteit van Californië, bekostigde de afgelopen twintig jaar zijn onderzoek uit eigen zak. Zo’n 1,3 miljoen dollar stak hij in zijn werk voor het Violence Prevention Research Program. Wie zoals Wintemute onderzoek doet naar controversiële onderwerpen als de ongeregistreerde verkoop van vuurwapens op zogeheten ‘gun shows’ of de gevolgen van vuurwapens op huiselijk geweld, is gewend aan obstakels, zegt hij droogjes. Waar Wintemute zich vooral zorgen over maakt is de onderdrukking van data. Door de gepolitiseerde aard van vuurwapens zijn er al weinig gegevens beschikbaar voor het publiek of wetenschappers. Zo kun je alleen het aantal verkochte wapens per jaar afleiden uit het aantal antecedentenonderzoeken dat deelstaatautoriteiten en de FBI uitvoeren. Hoeveel daarvan jaarlijks geweigerd worden is onbekend.

Data opslaan

Wintemute instrueerde zijn medewerkers van het Violence Prevention Research Program beschikbare publieke online data op te slaan die betrekking hadden op hun onderzoek. „Toen een collega op de dag van Trumps inauguratie zag dat de pagina over klimaatverandering verdwenen was op de site van het Witte Huis, liep ik door het gebouw om iedereen aan te sporen het opslaan op dezelfde dag nog af te ronden.”

Vooralsnog zijn de data van onder andere het Bureau of Alcohol, Tobacco, Firearms and Explosives (ATF) nog niet verdwenen. Het kan nog gebeuren, denkt Wintemute. Rond de eeuwwisseling bestudeerde hij samen met het ATF hoe criminele wapenmarkten, waar gestolen of op ‘gun shows’ gekochte wapens in omloop zijn, in elkaar zitten. Op last van het Amerikaanse Congres moesten de onderzoekers de conclusies van 2001 en 2002 geheimhouden. „Het is dus al eens eerder gebeurd dat nuttige data om wat voor reden dan ook verdwijnen.”

Hemenway beaamt alle problemen in zijn veld, maar met zijn kenmerkende glimlach en optimisme. In de jaren zestig werkte hij samen met de Amerikaanse consumentenrechtenactivist Ralph Nader om auto’s veiliger te maken. „Twintig jaar lang probeerden we autofabrikanten zover te krijgen airbags te installeren. Uiteindelijk lukte het ons. Het was niet de oplossing voor alles, maar een kleine stap om autorijden veiliger te maken.” De airbag en ook de kreukelzone hebben veel levens gered. Zo beziet Hemenway ook zijn huidige werk: dat vuurwapengeweldonderzoek over de komende dertig jaar leidt tot diverse kleine beleidsveranderingen – bijvoorbeeld artsen toestaan om met depressieve patiënten te praten over de manier waarop ze hun wapens opbergen – die samen veel levens redden.

Dan moet er natuurlijk wel een nieuwe generatie van Hemenways en Wintemutes zijn die de fakkel overneemt.