Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘Ik leerde dat je moet luisteren met je ogen’

Lunchinterview Tandarts en hoogleraar Michiel Eijkman (78) streed voor fluoride in het drinkwater, gaf voorlichting over tandzorg en schreef onlangs een boek. „Hoe hoger je bent opgeleid, hoe beter je weet wat goed voor je is.”

Hij draagt een blauwe blazer en een goudkleurige bril. Hij wil lunchen in het clubhuis van de Koninklijke Haagsche Golf & Country Club in Wassenaar, waar hij al vele jaren lid van is. Chic. Zo chic dat je er niet veel meer dan een eenvoudige tosti kunt eten. Met uitzicht op het mooiste door mensenhanden gedresseerde duinlandschap dat je ooit gezien hebt. En mannen in rode of gele broeken die elkaar begroeten door luidkeels elkaars voornaam te roepen.

Denk nu niet dat Michiel Eijkman (78) te deftig is voor het gewone leven. Bent u boven de vijfendertig? Ouder? Dan weet u hoe gewoon het vroeger was om gaatjes in uw gebit te hebben. Zo gewoon dat u het niet eens als ziekte zag. Maar dat was het wel. Ongeveer iedereen leed eraan, op jonge leeftijd al. Het komt deels door Michiel Eijkman dat het in Nederland normaal is geworden om géén gaatjes te hebben. Of nou ja, normaler.

In zijn werkende leven was hij tandarts en hoogleraar sociale tandheelkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef veertig jaar over zijn vak in NRC. En nu heeft hij een boek geschreven, Tanden en misverstanden, vandaar dit lunchgesprek. Niks wetenschappelijks: het zijn verhalen over bizarre belevenissen met patiënten, hun angsten, hun gektes. De vrouw die ervan overtuigd was dat de buurman haar elektronisch verkrachtte via het staal in haar kunstgebit. De man die zeker wist dat er bij hem een radiozender in een van zijn vullingen geïmplanteerd was en zijn ogen niet geloofde toen er na het trekken en in stukken hakken van de betreffende kies alleen amalgaam gevonden werd. Zijn tandarts had hij toen al twee keer aangeklaagd.

Wilt u meer, lees dan dat boek. Hier gaan we het over Michiel Eijkman zelf hebben. Golft hij veel? „Vroeger wel”, zegt hij. „Nu ben ik oud. Of nee, ik heb die handen waardoor ik de stok niet goed meer kan vasthouden.” Hij strekt ze uit om ze te laten zien. Dikke knokkels, scheve vingers. „En anderhalf jaar geleden” – hij lacht alsof hij een grap gaat vertellen – „knokte ik een keer met mijn kleinzoons, zes en acht. Ze sprongen boven op me terwijl ik op mijn buik lag en sindsdien, als ik een bal sla, voelt het alsof ik een mes in mijn rug krijg.” Hij lacht nog wat harder. Ik moet vooral niet denken dat hij zielig is.

Wie een ‘Hollywood-smile’ wil laat facings plaatsen. Maar die perfecte lach kan ook voor ellende zorgen

Gelukkig, zeg ik, heeft hij zijn eigen tanden nog. „Afkloppen”, zegt hij terwijl hij tegen de tafel tikt. „Ik heb bijna nooit wat gehad.” Hoe deed hij dat dan als kind? „Komt misschien” – hij begint weer te lachen – „door het jappenkamp. Daar was geen suiker.” Aha, en daar leerde hij zeker ook dat zielig doen je dood kan betekenen? Die vraag hoort hij niet. Of wil hij niet horen. Hij neemt een slok van zijn tonic en vertelt dat zijn vader dierenarts was, later arts, in Nederlands-Indië. Zijn moeder was verpleegkundige. „Allebei zeer gebitsbewust, dus wij poetsten en we gingen naar de tandarts. Gezondheidsgedrag is sociaal-economisch gebonden, hè. Hoe hoger je bent opgeleid, hoe beter je weet wat goed voor je is.”

Hele dag kiezen trekken

Michiel Eijkman was zeven toen hij uit het kamp kwam, met zijn moeder en zijn broertje. Hij weet nog hoe mooi hij de wereld daarbuiten vond, en hoe groot. Hij was gewend aan schuttingen en hekken. In 1950 gingen ze terug naar Nederland, zijn vader zou een huisartsenpraktijk overnemen. Hij begon in Zeist en daar kreeg hij, tussen twee patiënten in, een hartinfarct. Dood, op zijn tweeënvijftigste. Zijn gezondheid, denk Michiel Eijkman, was ondermijnd door de martelingen in Japanse krijgsgevangenschap.

Hoe ging het verder met Eijkmans moeder? „Ze was heel flink”, zegt Michiel Eijkman. „En heel zuinig. Ze had een klein pensioen en daar leefden we van. Een paar keer per jaar ging ze naar restaurant Corona in Den Haag voor een reünie met haar kampvriendinnen. ’s Avonds vertelde ze dan dat ze zich suf had gelachen, het was zo’n leuke dag geweest. Daarna lag ze drie dagen in bed.”

Foto Frank Ruiter

Zijn broer en hij zouden beiden geneeskunde gaan studeren, in Utrecht, maar toen ze zich gingen inschrijven zag hij een balie met een bordje ‘tandheelkunde’ en koos hij dat. Zomaar. Hij heeft er zes jaar lang spijt van gehad. „Verschrikkelijk. Ik ben pas na mijn studie gemotiveerd geraakt voor mijn vak.” Alleen de colleges psychiatrie van professor Rümke, zaterdagochtend om acht uur, vond hij interessant. Waarom ging hij er dan mee door? „Omdat ik het gekozen had en dan moet je niet zeuren.”

Op 1 november 1966 was hij klaar en op 15 november ging hij in militaire dienst, bij de marine. In de twee weken daartussen nam hij om wat geld te verdienen waar voor een tandarts in Den Haag. „Die bestelde me ’s morgens om zes uur en toen stonden er al zestig patiënten voor de deur. Het was de héle dag kiezen trekken.” Zijn rechterhand maakt draaiende bewegingen, machinaal. „Een collega zette na twee jaar zijn raam open, smeet zijn apparatuur naar buiten en sprong er zelf achteraan.”

Bij de marine werd hij belast met de keuring van „vijftienjarige Brabantse jongetjes” die zich hadden aangemeld om beroepsmatroos te worden. Zeven van de tien keurde hij af omdat ze geen gave tand of kies meer in hun mond hadden. En nog, zegt hij, had hij het ergste niet gezien. Na de marine, hij had al besloten de wetenschap in te gaan, raakte hij betrokken bij het bevolkingsonderzoek naar fluoridering van het drinkwater en zag hij zestig kleuters per dag bij wie de melktandjes geruïneerd waren – die hadden dus geen fluoride gehad. „Om moedeloos van te worden. Ik dacht, dat kan toch niet, in een beschaafd land?”

Aan het denken gezet

Even terug in de geschiedenis. In 1960 had de overheid besloten fluoride aan het drinkwater toe te voegen, want in Amerika was ontdekt dat het glazuur van de tanden daardoor harder werd en minder gevoelig voor de zuren die door bacteriën worden uitgescheiden. Maar vanaf 1970 begonnen allerlei mensen zich in de geest van de tijd – anti-elitair heette toen anti-autoritair – tegen die fluoridering te verzetten. Er kwamen antifluorcomités en Michiel Eijkman maar rondreizen en discussiëren en argumenten geven waarom fluoridering wél goed was en níét gevaarlijk. In zijn portefeuille zaten twintig foto’s van „volmaakt gedetorieerde kindergebitjes” – zijn beste argument, vond hij.

Hij ging een keer golfen op De Dommel in Sint-Michelsgestel, op uitnodiging van de oude heer Van Lanschot, de bankier. Begon die meteen over dat drinkwater, schan-da-lig, waar bemoeide de overheid zich mee? Eijkman: „Ik was het zo spuugzat dat ik direct mijn portefeuille tevoorschijn haalde. Heeft u dit wel eens gezien? En dit? De oude heer Van Lanschot werd nooit tegengesproken, hè. Hij was stupéfait. Maar ’s avonds na het eten zei hij: Michiel, je hebt me aan het denken gezet. Dat vond ik good sport.” De elite was dus ook tegen fluoridering. „Een deel wel. Die vond dat mensen zelf verantwoordelijk waren voor hun gedrag.” Zoals nu met obesitas, ja.

In 1976 werd de wet die de fluoridering zou regelen ingetrokken en voor Michiel Eijkman was dat…? Geluk bij een ongeluk. Hij bestelt nog een glas tonic en vertelt over zijn hoogleraar, die toen tegen hem zei dat hij zich nu helemaal moest gaan richten op voorlichting. Daar kwam veel geld voor vrij. „Maar ik was tandarts”, roept hij. „Ik wist niets van sociale psychologie, niets van begrippen als motivering, attitude, cognitie.”

Dat werd opnieuw studeren. En heel veel oefenen in gesprekstechnieken, bij professor Wijngaarden van de Vrije Universiteit, in de houten barakken waar de psychologen en de tandartsen toen nog gehuisvest waren. „Werd ik tijdens een gesprek met een patiënt gefilmd, heel modern. Het interessantste wat ik leerde was dat je met je ogen moet luisteren. Je kijkt naar het non-verbale gedrag van de patiënt en als je erin slaagt de juiste woorden te vinden voor wat die voelt of denkt, heb je binnen een paar minuten contact.”

Hij kijkt alsof hij het nog steeds de uitvinding van de eeuw vindt. De dokter begrijpt me! „Je bent dan”, zegt hij erachteraan, „al een heel eind in de beïnvloeding.”

Maar even. Dat er nu veel minder cariës is dan toen, komt dat niet vooral door de fluoride in de tandpasta? „Ja”, zegt hij. „Ook. In de jaren negentig werd volstrekt duidelijk dat de dagelijkse applicatie van fluoride in de mond tandbederf voorkomt.”

Maar dan moet er dus wel gepoetst worden. En mensen moeten naar de tandarts. Zes tot zeven van de tien doen dat. De rest durft niet – 700.000 mensen in Nederland zijn bang voor de tandarts – of hebben er het geld niet voor. „Ik was laatst in mijn oude praktijk in de Schilderswijk”, zegt Eijkman. „De tandtechnicus zei: het komt weer terug, hoor. Mensen nemen weer liever een kunstgebit.”

In zíjn mond , zeg ik, is hier en daar wel wat goud zichtbaar. „Uit mijn studententijd. We oefenden op elkaar.” Cariës heeft hij sindsdien nooit meer gehad. Wel erosie, door het poetsen. Doet hij dat dan zoveel? „Nee hoor, twee keer per dag. Ik poets ook mijn tong.” Hij steekt een virtuele tandenborstel in zijn keel . „Ook daar hè. Daar zitten de meeste bacteriën.” En tandenstoken? „Na elke maaltijd.” Hij tast in de zak van zijn blazer en presenteert een doosje Stim-u-dent.