Cultuur

Interview

Interview

Gert-Jan Oplaat tussen de vleeskuikens van zijn broer. (Bij vleeskuikens werd geen fipronil gebruikt.)

Foto Bram Petraeus

‘De NVWA is een totaal verrotte organisatie’

Gert-Jan Oplaat

Oud-VVD-Kamerlid en oud-pluimveehouder Gert-Jan Oplaat ziet de gevolgen van de eiercrisis van dichtbij. Hij heeft geen goed woord over voor toezichthouder NVWA en trouwens ook niet voor de Partij voor de Dieren. ‘Het boerengeluid is te lang gemist in Den Haag.’

Gert-Jan Oplaat heeft geen lunchkaart nodig om te weten wat hij wil eten. Hij wenkt de uitbater van ‘t Wapen van Markelo en zegt: „Mark, ik weet het al. Doe mij maar de uitsmijter royaal.”

In het geval van Gert-Jan Oplaat is dat een statement. „Zeker. Met de meeste eieren is niks mis.”

Oplaat (52) weet hoe hard de pluimveesector momenteel wordt getroffen door de ‘fipronil-affaire’. Hij was zelf pluimveehouder voor hij Tweede Kamerlid werd voor de VVD (1998-2006) en leidde daarna jarenlang de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders. Nu is hij voorzitter van de vereniging van de Pluimveeverwerkende Industrie. Kortom, de kip en Oplaat zijn onafscheidelijk.

Maar Oplaat, in de avonduren ook in te huren als schlagerzanger, is even niet zo blij. „De sfeer onder pluimveehouders is héél bedrukt. Ze zijn donders bang om failliet te gaan.”

Hij vertelt over een met fipronil besmet bedrijf dat hij begin deze week bezocht. Zonder acute steun van de bank gaat het bedrijf omvallen, vertelt Oplaat. „Verschrikkelijk.”

Dan slaat hij opeens met zijn blauwe zegelring op tafel. „Maar weet je wat pas écht verschrikkelijk is? De opstelling van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit!” Hij schuift zijn stoel aan en buigt wat naar voren.

Wat volgt is een minutenlang betoog, waarbij zijn diep doorleefde ergernis niet is te missen. De pluimveesector heeft ontzettend veel last van deze „autoriteit”, zegt Oplaat. „Eindeloos zoeken ze met Sherlock Holmes-achtige vergrootglazen naar minuscule foutjes, die vervolgens met absurde boetes worden bestraft.”

Gek wordt hij er van. De reden dat hij binnenkort namens de pluimvee verwerkende bedrijven weer tegenover de NVWA staat in de rechtbank. „Het is een totaal verrotte organisatie.”

Kern van het probleem, volgens Oplaat: wie houdt er toezicht op deze toezichthouder? „Niemand!” Het gevolg, volgens Oplaat: zonnekoninggedrag.

Neem het besmette bedrijf dat hij bezocht. Op andere vestigingen van het bedrijf, deels gelegen in andere provincies, is geen fipronil gebruikt. Toch gooit de NVWA ook daar de boel tot nader order op slot. Oplaat: „Weet je wat dat deze boer nu al kost? Tonnen!”

Heeft een boer niet ook een eigen verantwoordelijkheid om gifstoffen als fipronil buiten zijn bedrijf te houden?

„Natuurlijk, maar boeren wisten niet dat er fipronil in het middel zat dat nou eindelijk wél werkte tegen de bloedluis bij hun kippen.”

Iets wat te mooi klinkt om waar te zijn, is dat vaak ook.

„Zeker, maar voorzover de boeren wisten was het betrokken reinigingsbedrijf gecertificeerd. Moet de boer dat certificaat dan vervolgens weer gaan controleren?” Hij zucht. „Een boer is een ondernemer, geen ambtenaar die de hele dag druk is met regels. Als een boer dat had gewild, was-ie wel bij de NVWA gaan werken.”

Een diplomaat is er aan u niet verloren gegaan.

„Dat klopt. Maar ik ben heel serieus: het volgende kabinet moet iemand de opdracht geven om de bezem er doorheen te halen bij de NVWA.”

Het brengt Oplaat op de rol van staatssecretaris Martijn van Dam (Landbouw, PvdA), van wie de pluimveehouders volgens hem „nog nooit” steun hebben ervaren. „De man heeft geen enkele visie. Althans, niet op landbouw.”

De wereldbevolking groeit en de welvaart neemt toe, zegt Oplaat. En wat doen mensen die meer te besteden krijgen? „Precies, die gaan vlees eten.” Dus moet de landbouw, ook in Nederland, intensiveren om alle monden te voeden. „Maar wat zegt Van Dam? We moeten ze opvoeden in China. Dat ‘ze’, net als wij, juist minder vlees gaan eten. Nou, van die uitspraak van de staatssecretaris zijn ze in Bejing natuurlijk vre-se-lijk geschrokken.”

Kiem van de ergernis blijkt Van Dams uitspraak dat hij „de Nederlandse plofkip niet in de etalage gaat zetten”. Oplaat: „Ik kan er weer boos om worden.” Wel goeie sier maken met de exportcijfers van de pluimveesector maar de ondernemers vervolgens wegzetten als een stel dierenmishandelaars, in plaats van als vakmensen. „Van Dam is staatssecretaris, geen medewerker van een actieclub als Wakker Dier.” Oplaat schudt zijn hoofd. „Nederlandse kippen hebben juist een fantastisch leven.”

CDA-Kamerlid Jaco Geurts zei onlangs in een interview: „Nederlandse plofkippen? Wat mij betreft zijn het bofkippen.”

Bulderend: „Dat zegt hij goed, want die uitspraak heeft hij van mij!”

Geurts zei ook: „We moeten dieren niet te veel vermenselijken.” Gebeurt dat?

„Absoluut.” Na een hap van zijn omelet: „Kijk, ik las vroeger ook graag de Donald Duck. Vond ik mooi, een pratende eend. Tot ik op een gegeven zo oud was dat ik wist: dat kan niet. Toch zijn er volwassenen die dat niet willen accepteren. Die stemmen nu op de Partij voor de Dieren. Zover zijn we al gezonken, dat we zo’n partij hebben.”

Je kunt ook denken: kennelijk geloven inmiddels honderdduizenden mensen uw verhaal niet meer en dat van de Partij voor de Dieren en hun plofkip wel.

„Ja, wij hadden als pluimveehouders eerder een tegengeluid moeten laten horen. Over hoe het er écht aan toegaat.”

Later, in zijn donkere Mercedes, op weg naar de nabijgelegen boerderij van zijn broer, komt hij er op terug. „Er zijn mensen die denken dat boeren hun kippen zomaar op elkaar stapelen. Totale onzin. Daarom hebben we de informatiesite ‘kip in Nederland’ gelanceerd. Wat ook helpt is dat een boer als Maurits von Martels met voorkeursstemmen in de Tweede Kamer is gekomen [voor het CDA, red. ].” Het boerengeluid is te lang gemist in Den Haag.”

Wil hij éigenlijk zeggen: met al die Randstedelingen in de Kamer heeft de vertrutting toegeslagen? Glimlachend: „We zijn in Nederland in ieder geval helemaal aan het doorslaan op het gebied van dierenwelzijn.”

Dan, in plat Twents: „In Nederland will’n ze eigenlijk dat ’n haas al gaat ligg’n voordat ’t schot gelost is. Maar dat doen haz’n niet.”