Recensie

Deze vier debuten zijn te interessant om over te slaan

Nederlandse debuten Nog even omkijken: welke Nederlandse literaire debuten van het afgelopen halfjaar waren nog niet zo onontkoombaar dat we ze al bespraken, maar zijn te interessant om over te slaan? Deze vier bleven bovendrijven.

Illustratie Paul van der Steen

Tomer Pawlicki: Dankzij de oorlog

Even vrees je dat theatermaker en debuterend schrijver Tomer Pawlicki (1986) zijn kruit al meteen verschiet. ‘Mijn eerste zoen kreeg ik dankzij de Tweede Wereldoorlog’, is de openingszin van Dankzij de oorlog. Aardige gedachte, een tikje wrang: het meisje en hij waren elkaar nooit tegengekomen als hun ouders daar geen ‘nostalgische get-together’ hielden met andere over Europa uitgewaaierde Poolse Joden. Hoofdfiguur Tomer had zelf niet eens bestaan zonder Hitlers invasie in Polen: dan had zijn Poolse opa nooit hoeven onderduiken bij zijn niet-Joodse oma.

Wrange grap, behoorlijk sterk – maar blijft dat leuk? Pawlicki maakte een debuut dat je bijblijft omdat hij veel meer in petto heeft: zijn uitgangspunt (moet ik de oorlog misschien dankbaar zijn?) laat hij uitgroeien tot een zwaarbevochten, bloedserieuze kwestie. Hij is blij dat hij bestaat, maar zijn Joodse identiteit bezit hij eigenlijk tegen wil en dank. Hij gaat over die kwestie corresponderen met zijn grootmoeder, kampoverlevende, en die briefwisseling, die de hele roman beslaat, wordt steeds boeiender. Tomer stelt zijn bestaansvraag steeds scherper en provoceert intelligent, zijn grootmoeder radicaliseert óók door te bevestigen dat hij beter nooit geboren had kunnen worden.

Het is een slimme en emotionele ideeënstrijd tussen twee zeer betrokken Joden, twee verbale scherpschutters, die geen van beiden aan hun afkomst kunnen ontkomen. Dankzij de oorlog heeft daar de waarde van prikkelende essayistiek: Pawlicki dwingt je tot meedenken, tot positiebepaling.

Het verhaal van de roman, waarmee de briefwisseling afwisselt, is minder indrukwekkend, want flauw. Tomer, die last heeft van zijn darmen, vliegt namelijk naar Tel Aviv om daar een poeptransplantatie te ondergaan – natuurlijk een louterende reis waar hij zichzelf flink tegenkomt. Romantechnisch is het onelegant, soms voorspelbaar en eentonig, en dan heb ik het nog niet over de stinkende grappen. Joodse humor vol zelfspot, maar tja: dat deel van Dankzij de oorlog bezit weinig literaire verfijning. Maar met dit onderwerp en deze essayistische, semi-autobiografische inzet zit Pawlicki als schrijver goed.

Nhung Dam: Duizend vaders

Nhung, elf, verbijt zich en verwijt zichzelf dat ze zo’n ‘jankerd’ is: ‘Waarom liet ik de waterduivels en zeedemonen ’s nachts mijn dromen in sluipen en me vertellen dat ik hier niet hoorde.’ Een kern van meelijwekkende waarheid zit daar wel in. In het noordelijke kuststadje Beiahêm is zij (met haar Vietnamese ouders) de afwijking: ‘Ik was degene die zich altijd verontschuldigde.’

Wat er aan de hand is in Duizend vaders: het meisje Nhung is verlaten door haar vader, die zijn vrouwen achterliet met eeuwige schulden en een Chinese maffiabende die daar geen gras over laat groeien. Wat er in feite aan de hand is: hier tekent zich een keel-dichtsnoerend vluchtelingendrama af, hoogst origineel verteld. Een verhaal waarin theatermaker Nhung Dam (1984), zo is althans de suggestie van de naam van haar hoofdpersonage, zelf de hoofdrol speelt.

Duizend vaders is óók een coming-of-age-verhaal over een meisje dat haar plek in de wereld moet bevechten – maar Dam gebruikt niet één coming-of-age-cliché en de vorm staat ver van de autobiografie af. De roman doet juist sprookjesachtig aan, door klasgenoten met gekke namen als Zebra en Moes en seizoenen die zich misdragen: het blijft maar winter. Dat draagt allemaal bij aan een sfeer van desoriëntatie die Dam op het verrassende literaire snijpunt van Charlotte Mutsaers en Antoine de Saint-Exupéry plaatst. Die sfeer sluit ook mooi aan bij de inhoud: de desoriënterende verlorenheid van de ‘nieuwkomer’, de ‘vreemdeling’, en het is misschien ook wel een beschermingsmechanisme tegen de onbarmhartige buitenwereld. Een literair intrigerend en psychologisch geslaagde kunstgreep dus.

Twee verhaalsporen stuwen de roman voort: de toenemende ontregeling van Nhungs moeder, die het meisje dwingt voor zichzelf te zorgen, en de komst van een vreemdeling én de zee die het land van Beiahêm dreigt op te snoepen. Hoewel die vreemdeling ironisch genoeg in een bootje bivakkeert, wordt de strijd om het land grimmig – en Nhung betrekt de oprukkende Blut-und-Boden-ideologie stilzwijgend op zichzelf. Terwijl de bewoners háár juist hun lieveling noemen, want zij past zich toch zo voorbeeldig aan, zij doet netjes mee! Voor de volwassen lezer voelen de woorden van deze boze burgers een stuk minder oprecht aan dan voor de elfjarige verteller.

Dam werkt dat verhaal vaardig naar zijn ontknoping toe, met gevoel voor mooie scènes – al gaat het verhaal zó aan maatschappelijke thema’s raken dat de sprookjessfeer je op een gegeven moment gaat tegenstaan. Die maakt het verhaal juist afstandelijk, veilig fictief: als je je hoofdpersonage Nhung noemt, laat dan ook zien wat er op het spel staat. Duizend vaders boeit, vermaakt en intrigeert, maar grijpt uiteindelijk niet echt aan.

John-Alexander Janssen: Een verhaal uit de Zonnestad

Hoe geslaagd is een roman als je je een tijdlang keurig maar oubollig proza hebt moeten laten welgevallen, waarna blijkt dat de tragiek van de hoofdpersoon net in zijn afstandelijkheid besloten ligt – zodat het verhaal toch nog in een ander daglicht komt te staan? Het maakt in elk geval dat Een verhaal uit de Zonnestad van John-Alexander Janssen (1984) beklijft.

Het begin intrigeert nog: een wetenschapper voelt zes jaar na dato de noodzaak om te vertellen over waar hij vandaan komt, ‘het land van de wreedheid’, ‘het land van de dood’, waar de oorlog nog altijd woedt. Daarna schakelt het terug in de tijd, als Hamza Fayoun nog bouwkundestudent te Damascus is – toen dat nog kon, denk je erbij.

Hamza vertelt over hoe hij begeesterd raakt door een meisje, Zania, voor wie hij een bijvak filosofie gaat volgen, waar hij zo in uitblinkt dat hij uitgenodigd wordt op privatissima bij professor Al-Iskandri thuis, familie van Zania – en hij mag haar bijles wiskunde gaan geven. Maar iets doen met zijn warme gevoelens, dat durft de braverik Hamza niet. Dat weerspiegelt Janssens taal, die om door een ringetje halen zo netjes is, maar daardoor ook kleurloos, steriel: ‘Ik had niets gezegd waarvoor ik mij diende te schamen.’ Het duurt even voordat Hamza’s onderhuidse gerommel niet alleen meer seismografisch vast te stellen is: voordat je wat gaat voelen.

Maar die oorlog dan? We zijn hier toch in het Syrië onder Assad! Je zit al lezend echt te wachten tot dat frictie gaat opleveren, tot het drama komt – en steeds minder begrijp je hoe die keurige Hamza voor het regime zou hoeven vluchten. Maar zo afwachtend als hij ten opzichte van Zania is, denkend dat het wel goedkomt, zo afzijdig houdt hij zich ook van alles wat politiek is. Dat blijkt naïef (‘we waren toeschouwers, wat viel ons te verwijten?’) en dát is uiteindelijk zijn tragiek. Die niet alleen deze fictieve Hamza, maar ongetwijfeld voor nog veel meer Syriërs gold. Dat besef, op het einde, maakt Een verhaal uit de Zonnestad ineens een stuk meer waard.

Tom Hofland: Lyssa

Waar zijn we, wie is dit? Lyssa van Tom Hofland (1990) heeft zo’n andersoortige stijl dat je je even moet oriënteren. We bevinden ons in een Nederlands debuut van een jonge schrijver en radiomaker uit Utrecht, maar we belanden óók vol overtuiging in een fictief land dat aanvoelt als negentiende-eeuws Oost-Europa. Waar personages elkaar niet willen ontrieven, zich voor alles verontschuldigen, om vergiffenis smeken – alsof je een kostuumdrama leest.

Hofland schrijft over de jonge militair Gaspar, die op verlof is in de hoofdstad Mestopes en daar de ongenaakbare Lyssa Boktani ontmoet, de echtgenote van een machtige intellectueel. Er ontspint zich een onmogelijke, tergende verliefdheid, vanwege de heersende mores van hun tijd én omdat Gaspar bevriend raakt met Lyssa’s man en de twee dus een zomer lang omstandig om elkaar heen blijven draaien, van picknick tot paardenrace.

Dat is dan ook de inzet van Lyssa: een verhaal over de ontregelende onzekerheid én overtuiging die verliefdheid veroorzaakt. Soms schrijft Hofland schaamteloos romantisch, en als zijn zinnen extreem negentiende-eeuws aandoen is hij juist origineel – maar soms is de stijl vanwege de plot vooral vlot, en is Hofland ook minder stijlvast. ‘De moed zinkt mij plots tot diep in mijn pas gepoetste laarzen’, dat werk: bij zulk geknutsel denk je toch dat Hofland een grap met je uithaalt. Inderdaad schrijft hij lichtvoetig, met humor, maar van een dubbele bodem (ik anticipeerde even op een Ian McEwan-achtige perspectiefomkering) is geen sprake, en dat is toch jammer. In zijn volgende roman mag Hoflands literaire ambitie nog wel iets hoger komen te liggen.

Hetzelfde geldt voor de stijl op zinsniveau en de plot – die zwabberen nog, maar de eigenzinnigheid stemt positief en maakt nieuwsgierig. Naar of Tom Hofland gaat uitgroeien tot de nieuwe Tomas Lieske of Thomas Rosenboom, of tot een moderne, eigenzinnige schrijver die op hun traditie voortborduurt. De vrouwenrollen in Lyssa verraden in elk geval zijn vooruitstrevendheid: de vrouwen passen in hun tijd, maar laten ook niet met zich sollen. Meer van dat!