‘Het moet over de mensen gaan, niet alleen over het geld’

Jan de Vis, hoofd Gezond en Veilig Werken bij de politie

De politie liep jaren achter met de behandeling van ‘PTSS-agenten’, erkent Jan de Vis. Inmiddels is er veel bereikt op dit „hoofdpijndossier”, dankzij een centraal meldpunt, medische zorg en trainingen. Maar, zegt hij, „we moeten accepteren dat PTSS bij de politie speelt en er zal blijven.”

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

De tafel van Jan de Vis op het politiebureau in Den Haag ligt bezaaid met paperassen. Op de A4’tjes staan grafiekjes en tabelletjes over wat De Vis een „hoofdpijndossier” noemt: de getraumatiseerde politieagenten. Vis is hoofd van de sector veilig en gezond werken van de nationale politie.

Jarenlang liep de politie achter met een adequate behandeling van aanvragen en het uitbetalen van vergoedingen aan agenten met een trauma, maar inmiddels heeft de politie de zaken weer aardig op orde, zegt De Vis. „We stonden echt op -5.”

De posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vooral bekend van militairen die in schokkende gevechtssituaties verzeild raakten. Bij agenten verloopt de ziekte wat anders, legt De Vis uit. „Terwijl soldaten op missie vaak een heel heftig incident meemaken en daardoor last krijgen van een trauma, is het bij agenten vaak een reeks incidenten die het trauma veroorzaakt.”

Het is dan ook geen toeval dat vijftigers dominant zijn in de groep agenten met PTSS.

Meldpunt

Sinds 2014 kunnen zij terecht bij het meldpunt PTSS, waar ze een ‘beroepserkenning’ kunnen aanvragen. Ongeveer duizend agenten hebben dat tot nu toe gedaan. Daarvan is 10 procent afgewezen.

Met een beroepserkenning PTSS maken agenten soms aanspraak op een vergoeding. Die vergoedingen lopen erg uiteen, van 20.000 tot 300.000 euro. In totaal gaf de politie 39 miljoen uit aan ‘PTSS-agenten’, vertelt De Vis.

Het is maar een kleine groep die de hoogste bedragen krijgen, verklaart De Vis de verschillen in de vergoedingen. „Zij hebben recht op vergoeding van restschade. Daarmee doelen we op misgelopen inkomsten of schade door uitgebleven nazorg. Het zijn vaak lang slepende dossiers met hoge schadevergoedingen, maar ook heel strikte criteria.”

Lees ook het interview met een door PTSS getroffen agent: ‘Je gaat niet de zwakke broeder uithangen’

Dit jaar worden er 42 van deze dossiers afgehandeld, vertelt hij. „Van deze groep hebben 14 agenten hun vergoeding al gekregen, de andere 28 ontvangen die voor het einde van 2017. Een honderdtal andere restschadedossiers ligt nog ter beoordeling bij de verzekeraar.”

De meeste PTSS-agenten maken gebruik van de „coulanceregeling”, vervolgt hij. „Via die regeling krijgen ze bijvoorbeeld vakantiegeld of gemaakte ziektekosten vergoed.”

Emeritus hoogleraar psychiatrie en PTSS-expert Berthold Gersons deed onderzoek bij de politie naar PTSS. Zijn conclusie: zo’n 7 procent van alle agenten loopt op een gegeven moment PTSS op, omgerekend bijna vierduizend mensen. Uitgaand van zijn bevindingen is de politie de komende jaren nog niet klaar met het uitbetalen van vergoedingen.

De Vis schudt nadrukkelijk zijn hoofd. „Nee, nee, nee”, zegt hij, „die rekensom klopt niet. Wij hebben zelf ook zitten rekenen en komen op 2 procent uit.”

Alleen over het geld

Het stoort De Vis dat het „alleen” over „het geld” gaat als er over getraumatiseerde agenten wordt gesproken. Er komen veel informatieverzoeken daarover binnen, zegt hij. „Wij moeten ons continu verantwoorden. Ik wil rust op dit dossier. Het moet over de mensen gaan. Die moet je zo snel mogelijk laten reïntegreren, dat is waar het om draait.”

Drie agenten met PTSS hebben tegen NRC geklaagd dat het heel lastig is een ‘beroepserkenning’ te krijgen. Ze moeten oude incidenten tot in detail beschrijven. Ook wordt ze gevraagd de exacte data erbij te vermelden, terwijl het incident zich soms jaren eerder voordeed. Dat ontmoedigt, zeggen ze.

Jan de Vis snapt die reactie wel. „Maar”, zegt hij, „om een goed advies van de PTSS-adviescommissie te krijgen, hebben wij verschillende documenten van de medewerker nodig. We kunnen niet zomaar erkennen en geld uitkeren. Soms ontbreken die documenten. Daardoor komt er vertraging in de diagnose. We zoeken in de politiesystemen naar de incidenten die onze medewerkers meemaakten. Dat is soms pijnlijk.”

Trots

Als je kijkt wat de laatste jaren is gedaan, „vind ik dat we best trots mogen zijn”, zegt De Vis. „We zijn in 2014 voorzichtig gestart met het meldpunt PTSS, terwijl daarvoor alle 26 eenheden het onderwerp op hun eigen manier afhandelden. We hebben nu veel meer zicht op de wijze van afhandeling en het tempo van die afhandeling. En we investeren veel meer in reïntegratie van betrokken agenten en in trainingen om PTSS vroeger te kunnen signaleren.”

Ook publiceert de politie erover op intranet, het interne forum van de politie, is er een cursus ‘vroegsignalering’ en een „gatekeeperstraining”, waarin teamleiders „vroegtijdige uitval en mogelijke suïcidaliteit leren herkennen”.

In het team „collegiale ondersteuning” praten agenten met elkaar als ze „een heftig incident” hebben meegemaakt, vervolgt De Vis. Op de basis in Doorn is er een loket „waar je vierentwintig uur per dag terechtkunt” bij een crisis. „En we hebben een korpspsycholoog en zes eenheidspsychologen, wat er op korte termijn hopelijk twaalf worden.”

Zijn alle maatregelen voldoende om PTSS bij de politie tegen te gaan? „Nee”, zegt De Vis stellig. „Wij moeten accepteren dat PTSS bij de politie speelt en er zal blijven. Dit is een beroep met een hoog risico. Je krijgt vaak te maken met ernstige incidenten waar je mogelijk een trauma van oploopt. Mijn streven is: accepteer en normaliseer het.”

Volgens hem keerde 54 procent van de agenten na een trauma terug op de werkvloer. Collega’s die verzuimen krijgen alle aandacht, zegt hij. „Ik hoop natuurlijk dat die groep ook weer terugkeert. Dat is de inzet.”