Het Grote Geheim van Feist

Feist

Zodra je de Canadese singer-songwriter Feist denkt door te hebben, doet ze weer iets compleet anders. Vrijdag staat ze op Lowlands.

Haar keel kon het niet aan. Na vier jaar lang krijsen in de Canadese punkband Placebo, moest Leslie Feist (1976) haar carrière als boze schreeuwer staken. De diagnose: kapotte stembanden. Behandeling: een algeheel zangverbod.

Dat werd dus noodgedwongen gitaar leren spelen.

En drummen.

En bassen.

En een spoedcursus piano.

Het was wellicht een gemis voor de lokale punkscene, maar een godsgeschenk voor de wereld daarbuiten. Want sindsdien heeft Feist (haar voornaam kwam te vervallen) zich vol overgave in alle mogelijke muziekgenres gestort: van disco tot folk, indie-rock, jazz en country. En ook al zou ze dan niet langer schreeuwen, met die keel kwam het meer dan goed. Daaruit gleden voortaan enkel nog dromerige en kraakheldere melodieën. Vaker gemompeld dan galmend, soms gefluisterd, maar altijd catchy.

Dat al die verschillende stijlen voor buitenstaanders leken te botsen, maakte Feist weinig uit. En zo kon het gebeuren dat in hetzelfde jaar waarin ze haar brave debuut Monarch (1999) uitbracht, ze ook op tournee ging met haar toenmalige huisgenoot en electro-feminist Peaches. Onder het alias ‘Bitch Lap Lap’ rapte ze mee terwijl ze tegelijkertijd ook nog sokpoppenkast speelde. In de clip van het nummer ‘Lovertits’ is te zien hoe de twee hun fietsen onzedelijk betasten: „You’re gonna have to go down on it! You’re gonna have to get it up!” Tegelijkertijd klonk Feists eerste soloplaat als gelikte Sky Radio-rock, een soort kruising tussen Fleetwood Mac en Suzanne Vega. Over de dartelende vioolarrangementen zong ze zonder ironie: „It’s Cool to Love Your Family.”

Het absolute hoogtepunt volgens de zangeres zelf: haar optreden in Sesamstraat waarin ze samen met pluizige monsters, pinguïns en kippen de jonge kijkertjes tot vier leerde tellen.

Bij haar tweede album deed ze weer zoiets. Want hoewel ze inmiddels was toegetreden tot het experimentele indie-collectief Broken Social Scene en zo underground-punten scoorde, stond Let It Die (2004) juist vol knuffeljazz en bossanova. Maar van die plaat groeide uitgerekend het nummer ‘Inside and Out’ uit tot hit: haar cover van discokoningen The Bee Gees.

Grote doorbraak

Ziehier het Grote Geheim van Feist, die volgende week vrijdag is te zien op Lowlands: zodra je haar denkt door te hebben, doet ze iets compleet anders. En met succes, want na zes platen is ze uitgegroeid tot een gelauwerde singer-songwriter. Met een twist, dat wel.

En met dank aan Steve Jobs. Want haar grote doorbraak beleefde ze met The Reminder (2007), waarvan het aftelversje ‘1234’ door Apple werd uitgekozen als lijflied voor de campagne om de nieuwe iPod Nano te lanceren.

Zo ben je punker, en – oh ironie – zo ben je uithangbord voor een computergigant en word je dankzij die reclamedeal zo beroemd dat zelfs de ranzigste schandaalblogger je omarmt. „Team Feist! Down with Britney!” foeterde de Hollywoodse roddelkoning Perez Hilton in een poging het door hem gehate tieneridool Britney Spears als meest gedownloade artiest ‘van haar troon te stoten’.

Het absolute hoogtepunt volgens de zangeres zelf: haar optreden in Sesamstraat waarin ze samen met pluizige monsters, pinguïns en kippen de jonge kijkertjes tot vier leerde tellen. Bij de grote mensen hielp de al even opbeurende officiële video van ‘1234’ het succes verder aan te wakkeren. Dat vrolijke ballet was een eerbetoon aan haar allereerste optreden: als twaalfjarige danste ze in 1988 mee tijdens de openingsceremonie van de Olympische Winterspelen in Calgary.

Gitaargodin

Feist bleef een vat vol tegenstrijdigheden. Hoe uitbundig en theatraal haar video’s ook waren, op het podium leek ze zich soms achter haar pony te willen verschuilen. Maar achter die beschutting bleek een ware gitaargodin schuil te gaan die haar instrument steeds harder liet scheuren. Zo ook op haar platen, die steeds rauwer werden.

Metals (2011) is een rafelige folkopera, waarin subtiel countrygetokkel, dramatisch tromgeroffel, bulderende achtergrondkoren en massaal trompetgeschal elkaar afwisselen. Hoe vol ook, nergens wordt het bombastisch. Als de altsaxofonen op standje scheepshoornvolume aan het eind van ‘How Come You Never Go There’ en ‘The Bad in Each Other’ gezamenlijk naar een climax loeien, klinkt dat niet glad, maar eerder gemeen.

Op het in april verschenen Pleasure is het gedaan met alle toeters en bellen. Op haar zesde album zet Feist haar nummers in hun nakie. Dan blijft er weinig meer over dan een staccato gitaarriedel, nijdig gespeeld zoals PJ Harvey dat deed op ‘Rid of Me’. In de smekende uithalen van ‘Baby Be Simple’ voel je de valse lucht langs haar keel glijden. In de bijna-stiltes van de wanhoopsballades ‘I Wish I Didn’t Miss You’ en ‘Lost Dreams’ ruist, ritselt en kraakt de omgeving volop mee.

De plaat mag dan Pleasure heten, vrolijk wordt het nooit. Radeloos bekent ze dat ze het ook allemaal niet meer weet. En dat dat niet erg is. Na vijf platen voelde ze zich als een konijn dat in de koplampen van een aanstormde auto staarde, gaf ze toe in een radio-interview. En zo’n moment kun je nu eenmaal niet door anderen laten vertolken. Dus moest het gestript en kaal, uitgekleed tot op het bot.

Gebeurt er dan niets geks?

Natuurlijk wel. De laatste twintig seconden van ‘A Man Is Not His Song’ – een akoestische kampvuurkiller die begint met tjilpende krekels – wordt het kalme gitaargetokkel plotseling overstemd door een loeiharde sample van Mastodon. Met die Amerikaanse metalband bracht ze vijf jaar geleden ‘Feistodon’ uit, een splitsingle met covers van elkaars werk. In de bijbehorende clip beukt Feist met violen en gitaren een compleet interieur aan gort.

Je verwacht het niet.

Of eigenlijk toch weer wel.