Recensie

Abortus bepaal je niet zelf

Anti-abortusactivisme

In de VS zijn de Republikeinen erop uit om de legalisering van abortus terug te draaien. Drie boeken proberen te achterhalen waarom dit kan gebeuren.

Een anti-abortusactivist (ook wel: pro-life) in Washington. Foto EPA

’s Ochtends, als Willie Parker in zijn auto zit op de parkeerplaats voor de kliniek, is hij altijd bang. Als belijdend christen en openlijke abortusarts in de zuidelijke staten Georgia, Alabama en Mississippi loopt hij een groot risico. In 1993 werd in Florida abortusarts David Gunn op de parkeerplaats van zijn kliniek vermoord door antiabortusactivist Michael Griffin. Nog in 2015 schoot een man drie mensen dood in een abortuskliniek van Planned Parenthood, naar eigen zeggen omdat hij zich als ‘een strijder voor de baby’s’ beschouwde.

Uiteindelijk stapt Parker, die bodyguards weigert, altijd uit en loopt hij, blik naar de grond gericht, ‘niet te langzaam, niet te snel’ langs de pro-lifers die demonstreren voor de kliniek; volgens hem vrijwel altijd middelbare mannen die hem uitschelden voor ‘moordenaar’ en ‘smerige negeraborteur’.

Parker heeft een buitengewoon moedig boek geschreven over zijn leven als abortusarts en de vrouwen die hij behandelt. Het is een emotioneel pleidooi van een wetenschapper en een gelovige bij mede-christenen om abortus te accepteren als een van de voortplantingskeuzes die vrouwen en stellen hebben. Om respect te hebben voor de ‘full, messy, imperfect lives’ waarin vrouwen nu eenmaal ongewenst zwanger kunnen raken.

Daarmee steekt hij zijn nek uit, want bijna 45 jaar nadat abortus in de VS legaal werd, door de uitspraak van het Hooggerechtshof in de zaak Roe versus Wade, lijkt het minstens zo controversieel als indertijd. Momenteel ruiken gelovige en conservatieve Republikeinen, die sinds 2010 al meer dan driehonderd wetten aangenomen kregen die abortus bemoeilijken, bovendien hun kans op de hoofdprijs.

Vicepresident Mike Pence deed de pro-life-beweging in 2016 een belofte: de regering-Trump zou Roe, zoals legalisering van abortus kortweg wordt genoemd, naar de mestvaalt van de geschiedenis verwijzen.

Conservatieve rechter

De eerste stap hiertoe, de benoeming van een conservatieve rechter in het Hooggerechtshof, is al gezet. Intussen zet de dreigende afschaffing van de financiering van Planned Parenthood-vrouwenklinieken en van het snijden in Obamacare het recht op abortus verder onder druk.

Hoe komt het dat de VS abortus wel hebben gelegaliseerd, maar, zoals de progressieve opperrechter Ruth Bader Ginsburg ooit zei, nooit hebben geaccepteerd? Schrijfster Joyce Carol Oates legt de oorzaak in haar indrukwekkende roman A Book of American Martyrs bij moreel absolutisme. Dit geldt niet alleen voor haar ‘soldaat van God’ Luther Amos Dunphy, een dakdekker uit Ohio die zich bekeert tot een kerk die moordenaars van abortusartsen tot martelaar verklaart – in een ‘jihad’ tegen de medische stand. Moreel absolutisme geldt ook voor de man die Dunphy in het eerste hoofdstuk om het leven brengt: abortusarts Gus Voorhees, die in zijn nietsontziende, compromisloze idealisme evengoed slachtoffers maakt – al zijn dat primair zijn verwaarloosde vrouw en kinderen, die door zijn werk moeten leven als opgejaagde misdadigers.

Oates’ magistrale openingsscène speelt zich ook af op zo’n parkeerplaats, duidelijk geïnspireerd door de moord op Gunn. In gezwollen, bijna oudtestamentische bewoordingen en kommaloze zinnen laat Oates Dunphy zelf beschrijven, als in trance, hoe hij ’s ochtends vroeg Gus Voorhees met een dubbelloops jachtgeweer de nek en onderkaak wegschiet ‘alsof de Heer in Zijn woede had uitgehaald met een geweldige klauw’, hoe hij vervolgens knielt op het asfalt en gearresteerd wordt.

Vanaf deze steen in de vijver dijt de roman uit naar wijdere kringen, naar de gezinnen van de twee mannen, vooral hun dochters. Naomi Voorhees, dochter van de abortusarts, wordt documentairemaker. Haar research over haar vader, een pakket van interviews, e-mails, aantekeningen en rechtbankverslagen, zorgt voor afwisseling in de roman. In de andere familie – en in het andere Amerika – blijft het gezin van Luther Dunphy even verweesd achter. Veel moeite doet Oates om het personage van Dawn Dunphy neer te zetten, de potige dochter die uiteindelijk haar bestemming vindt als bokser. Als Hammer of Jesus vecht Dawn terug tegen een samenleving die haar en haar mede-‘deplorables’ niet nodig heeft, en die hen veracht. Tijdens een van haar eerste gevechten beseft Dawn, de eeuwige underdog: ‘Het publiek stond aan haar kant. Het wilde dat ze die ander zou pijn doen, en zou winnen.’

Zonder twijfel heeft Oates misschien wat al te hevig geprobeerd om allerlei actuele Amerikaanse ontwikkelingen over haar personages te verdelen. Maar een groot bezwaar is dat in dit geval niet. A Book of American Martyrs is een Great American Novel, met abortus als prisma voor de condition Américaine. Het blijft 736 pagina’s lang boeien, doordat Oates als geen ander de kunst van het uitwaaieren verstaat. Ze bouwde het boek op als een serie intensieve verhalen die ook op zichzelf kunnen staan, maar die nu alle bijdragen aan het ene portret van de Verenigde Staten dat Oates heeft willen schetsen: een land dat best vooruit zou kunnen, ware het niet dat het wordt tegengehouden door zelfverklaarde, moreel absolutistische ‘martelaars’, verblind door ideologie en hun eigen ego’s.

Soms zakt het even in, maar grote delen van het boek zijn even ijzingwekkend als subliem. Oates wijdt een heel deel van haar boek aan de bijna mislukkende executie van Luther Dunphy – verteld door de man op de executietafel zelf. Ze beschrijft in detail hoe Dawn en haar jongere broertjes en zusjes op een zaterdag de bus in moeten om met een groep evangelische gelijkgezinden te gaan spitten in het afval bij een abortuskliniek en, onder veel vertoon van theater, medische restanten te begraven.

Uit het leven gegrepen

Hoezeer uit het leven gegrepen dit is, beschrijft Carol Sanger, hoogleraar rechten aan Columbia University, in About Abortion, een voornamelijk voor vakgenoten geschreven, nogal taai overzicht van de wetgeving en de culturele aannames rondom abortus en de achtergronden daarvan. Sargent beschrijft waarom abortus in de VS nog altijd een ‘semicriminele’ status heeft: resultaat van een actieve campagne die de schaamte bij vrouwen zo groot mogelijk heeft gehouden en die het ze zo moeilijk mogelijk maakt om toegang tot een abortus te krijgen.

Voorschriften voor abortusklinieken zijn zo opgeschroefd dat hun aantal gestaag terugloopt. Verplichte dagen bedenktijd zijn in Nederland wellicht geen groot probleem, maar leiden in de Verenigde Staten bij vrouwen die lange afstanden moeten reizen en hun besluit geheim willen houden tot grote problemen. Negen staten verplichten vrouwen die tot een abortus hebben besloten om een echo te ondergaan – die vroeg in de zwangerschap inwendig is – en vier staten verplichten hen om naar een beschrijving van wat er op die echo te zien is te luisteren, of om ernaar te kijken.

Veertig staten verplichten minderjarige meisjes die hun zwangerschap verborgen willen houden voor hun ouders om te verschijnen voor een officiële rechtbank, waar rechters een tiener zomaar kunnen vragen of ze begrijpt dat abortus moord is. Zoals Sanger het verwoordt: ‘Abortus is legaal, maar je kunt zorgen dat het illegaal voelt.’ Deze publieke vernedering plaatst Sanger in een lange culturele traditie die de seksuele activiteit van vrouwen veroordeelt en hen ervoor straft.

Willie Parker formuleert het net anders. Voor hem komt verzet tegen abortus voort uit één ding: ‘de seksuele autonomie van vrouwen is datgene waar mannen altijd controle over willen krijgen’, plus hun nageslacht natuurlijk.

Voor veel vrouwen is het onverteerbaar dat in de regering-Trump commissies die uitsluitend uit oudere mannen bestaan, beslissen over de toekomst van voorzieningen als Medicaid en de Planned Parenthood-klinieken, die een groot deel van de reproductieve en gynaecologische diensten in de Verenigde Staten leveren en bekostigen. Maar dat negeert hoeveel vrouwen fanatieke pro-lifers zijn, en hoeveel mannen, zoals Sanger beschrijft in haar verhelderende hoofdstuk ‘What would men do’, net als Amerikaanse vrouwen erkennen dat het beter is om een zwangerschap niet door te zetten omdat er voor een kind geen enkele ruimte is in hun levens.

Het miskent vooral hoe gebrekkig de Amerikaanse politieke klasse de bevolking reflecteert: bijna 70 procent van de Amerikanen vindt dat abortus legaal moet blijven, al is 10 procent daarvan zelf tégen abortus. Veel gewone Amerikanen gunnen mensen met wie ze het niet eens zijn, dus best hun eigen keuzes. Maar in de arena’s van de macht – kerk, politiek, media – houden haat en polarisatie de motoren nu eenmaal draaiende. Het is daarom de vraag of, zoals Sanger denkt, abortus geaccepteerder zal raken naarmate vrouwen er openlijker voor uitkomen.

Oates laat haar personages uiteindelijk de immense kloof tussen de twee Amerika’s – twee culturen, twee klassen en twee opleidingsniveau’s – overbruggen. Willie Parker sluit af met een mooi hoofdstuk, waarin hij pleit voor een realistische humane theologie, die ruimte biedt aan vergeving van menselijke fouten, in plaats van morele onwrikbaarheid en snoeiharde oordelen. Als God in alles is, schrijft hij, dan ook in onvoorzichtige vrijpartijen en in de menselijke keuze om een zwangerschap niet door te zetten. ‘God is Siri niet, die je vertelt of je links- of rechtsaf moet slaan.’

Zo doen schrijvers hier alles wat Amerikanen van hun politici zouden mogen verwachten: empathie betrachten bij de controversieelste dossiers, en de andere partij zijn eigen morele keuzes gunnen.