Column

Vis

Ik kocht al meer dan drie jaar haring bij dezelfde kraam. De verkoper, die door buurtbewoners ‘Maarten van Rossem’ wordt genoemd omdat hij met zichtbare tegenzin zijn beroep uitoefent, en ik hadden nog nooit een gesprek gevoerd dat verder ging dan uitjes en zuur, maar dat veranderde gisteren toen hij vanuit het niets liet merken dat hij het ook niet makkelijk had.

„Af en toe zeg ik weleens tegen de mensen: ik verkoop vis, geen praatjes”, zei hij terwijl hij een haring tussen een broodje kwakte. „Misschien moet ik dat op een bordje schrijven want ze lullen me vandaag toch weer de oren van de kop.”

Hij vond mij een prettige klant. Ik was tenminste niet uit op gezelligheid en viel hem niet lastig over de eiercrisis, vrouwenvoetbal of, het allerergste, lichamelijk ongemak.

„De mensen denken dat je het leuk vindt om oeverloos te ouwehoeren, maar ik sta hier puur uit liefde voor het product, en omdat ik de hypotheek moet betalen.”

Ik knikte en zei dat ik puur uit liefde voor het product kwam.

Hij: „Mooi zo.”

Ik trok me zo ongezellig mogelijk terug op een van de twee aluminium stoeltjes. Ik had nog geen hap van mijn broodje genomen of er zoefde een elektrisch karretje zijn keet binnen. De berijder droeg een cowboyhoed en had een ingevallen gezicht .

„Bingo”, zei de verkoper.

De man met de cowboyhoed bestelde twee broodjes haring, vroeg of de verkoper soms wist of haring ook goed was tegen winderigheid en zei dat hij had genoten van het vrouwenvoetbal.

„Je moet er even in komen, maar dan kan ik er toch wel van genieten.”

De visverkoper antwoordde met korte zinnen als ‘niet dat ik weet’ en ‘niet naar gekeken’ maar dat belette de man met de cowboyhoed niet om door te gaan met het delen van zijn gedachten.

„Wat denk jij? Hebben we in de zomer een kabinet?”

„Twee broodjes haring maakt 8 euro”, zei de verkoper.

Toen de man met de cowboyhoed weg was, zei de visverkoper dat hij vond dat de overheid meer moest doen aan het bestrijden van eenzaamheid.

„Nu zijn de middenstanders weer de dupe. Een haringverkoper hoort meer onzin dan de gemiddelde hulpverlener.”

De neiging was groot om ‘ik ook’ te zeggen, maar dit was niet de plek om het gezellig met elkaar eens te zijn. Ik stond op, legde 4 euro op de toonbank en wandelde zwijgend de keet uit.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.