Oostende


gaat deze zomer naar het strand van zijn jeugd. Slot.

Uiteraard waren daar eind jaren zestig ook de zomerdagen op het strand van Oostende. Hoeveel mensen er zich ook op het strand bevonden, de stam der Zeebroeken kon je al van heel ver spotten. Eigenlijk leek het meer op een nederzetting dan op een groepje strandgangers.

Sommigen logeerden er tot lang na zonsondergang of bleven er zelfs slapen, zich voortplanten, bevallen en ja, wie weet, occasioneel ook de pijp uit gaan.

Trouwens, een put is zo gegraven, als je zand genoeg hebt. Zelf hield ik het bij zwemmen, voetballen en, als de verveling toesloeg, op het rapen van schelpjes voor de nichtjes. Die schelpen werden geruild tegen papieren bloemen, die dan op hun beurt weer geruild werden voor … schelpen. Tijdens mijn speurtocht langs de vloedlijn kreeg ik plots hevige aandrang. Gelukkig was er een put in de buurt. Ik deed erin wat ik moest doen, maar in plaats van mijn schepping met zand te bedekken, strooide ik er gul de schelpjes overheen die ik gevonden had. Vervolgens riep ik mijn nichtje en toonde haar de buit!

– „Die zijn allemaal voor jou!”

Dat moest ik haar geen twee keer zeggen. Ze greep en keek eerst verbaasd en vervolgens vol afschuw naar wat ze tussen haar vingers zag verschijnen. Zelf vond ik dit een topgrap, een waardig hoogtepunt van een dagje aan het strand. Maar lang kon ik niet nagenieten.

Uit de nederzetting kwamen enkele tantes aangelopen die ontsteld reageerden toen ze zagen wat er met mijn nichtje aan de hand was.

Meteen zette ik het op een lopen. Zigzaggend door het mulle zand ontging mij de plank die daar op het strand verloren lag. Een plank van dertig centimeter lang, voorzien van een joekel van een spijker, die zich genadeloos dwars doorheen mijn linkervoet boorde. Hierdoor bleef de plank als een reusachtige Havaianasslipper aan mijn voet klepperen en gewond bleek ik een makkelijke prooi voor de aanstormende familieleden waarvan de kwaadheid, bij het zien van zo veel menselijk lijden, plaats maakte voor compassie.

Met mijn voet aan de plank gespijkerd was ik qua lijden, niet zo ver meer verwijderd van Jezus aan het kruis. Kermend werd ik naar de dichtstbijzijnde EHBO-strandpost gedragen, met in mijn kielzog een stoet Zeebroeken.