Column

‘Hoho’, roept mijn vader. ‘Niet vloeken’

Ik sta de wand van mijn nieuwe slaapkamer te witten als ik een melding van de NS krijg. Mijn vader (88) heeft een reis met assistentie geboekt voor de trein van 11.08 uur en zal om 11.35 uur aankomen in Amsterdam. Ik wil hem bellen om te zeggen dat het een beetje onhandig is, vandaag bij mij op bezoek, maar zijn telefoon staat uit. De app waarmee ik hem kan tracken en tracen doet het dus ook niet.

Tegen half twaalf fiets ik langs Artis en door de Jodenbreestraat naar het Stationsplein. Maar waar ik ook kijk, nergens een oude en bijna blinde man met strooien hoed die in zijn scootmobiel zijn weg probeert te vinden door de chaos van trams en toeristen. Bij de NS vertellen ze me dat meneer in goede gezondheid de trein in én uit is geholpen. Hij móét ergens zijn. Damrak? Zeedijk? Geldersekade? In de verte rijdt een ambulance voorbij. Daarna nog een. En nog een. Net als ik de politie wil bellen, gaat mijn telefoon. Mijn vader. „Waar ben jij?”, roept hij.

„Waar bent ú?”

„Waar ben ik?”, hoor ik hem vragen en twee vrouwenstemmen zeggen: „Bij de Texaco in de Sarphatistraat.”

„Bij de Texaco in de Sarphatistraat”, roept hij. „Kun je dat vinden?” Het is vlak bij mijn nieuwe huis.

Zijn scootmobiel staat half op het fietspad, twee jonge vrouwen met blonde paardenstaarten staan naast hem. „Godsamme, vader”, roep ik al voordat ik bij ze ben.

„Hoho”, roept hij. „Niet vloeken.”

„U had beloofd dat u niet meer alleen met de trein zou gaan en nou doet u het toch!”

„En nou ben ik er”, zegt hij, triomfantelijk lachend. „Ik ga straks ook nog even naar de kapper en dan eh…”

„Hij zei”, zegt een van de vrouwen, „dat hij naar zijn dochter toe wilde, maar dat hij het adres was vergeten.”

„Je telefoon stond uit”, zegt mijn vader. „En toen kreeg ik ook nog een geweldige hypo.”

Ik haal een broodje voor hem bij de AH aan de overkant en daarna vertrekken we in de richting van het station. De twee vrouwen zwaaien nog een keer naar ons vanaf hun scooter.

Zaterdagochtend bij de koffie vraag ik hem hoe hij nou precies gereden was. „O, heel eenvoudig”, zegt hij. „Zoals ik voor de oorlog altijd met mijn ouders naar Bunschoten fietste, over de Hoogte Kadijk.” Hij droomt even weg. „In Muiden stapten we af en dan aten we een beschuit met suiker. Iets lekkerders kon je je niet voorstellen.”

„Vader”, zeg ik. „Ik ga de NS bellen dat ze u niet meer mogen meenemen.” Hij begint te lachen en zegt: „Je doet maar, hoor. Dat lukt je toch niet.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus.