Column

Joosteloos

Zaterdag bezocht ik het Tuinfeest, een geweldig poëziefestival te Deventer, waar ik jaren geleden tijdens de naborrel in gesprek raakte met Joost Zwagerman. Vervolgens hadden we het urenlang over gedichten, muziek en enkele zeer belachelijke collega’s. Wat, hoor ik u zeggen, elke dichter is toch belachelijk? Jazeker, maar sommigen zijn nou eenmaal meer belachelijk dan anderen.

Hoe dan ook, het was altijd lachen met Joost: in tegenstelling tot de meeste mensen was hij niet alleen met zichzelf bezig maar luisterde hij echt naar wat je vertelde. Toen bekend werd dat hij een einde aan zijn leven had gemaakt, nu alweer twee jaar geleden, ben ik een week lang mijn huis niet meer uit geweest. Ik was misselijk van verdriet. Er was een stem minder, een oor, een lach.

En zo was ik zaterdagavond op een poëziefestival dat me steeds meer aan de doden dan aan de levenden deed denken. De afgelopen jaren hebben meerdere dichters zelf gekozen voor het einde: Rogi Wieg stapte in 2015 uit het leven, Wim Brands volgde in 2016. Bij zelfdoding heb ik altijd het gevoel alsof iemand je laat zitten. Alsof diegene niet meer wil komen opdraven voor de afspraak die je als mensheid onderling hebt gemaakt: dat je zo lang mogelijk in leven blijft, ook al is bestaan niet altijd een groot Olé Olé. „Dat is wat mensen doen,” schrijft de Amerikaanse auteur Michael Cunningham in zijn roman The Hours (1998). „Ze blijven voor elkaar in leven.” En zo is het. Maar zaterdag waadde ik door een massa mensen, zonder Wieg, ont-Wimd en Joosteloos, en zocht ik vertroosting.

Ten slotte belandde ik bij een optreden van Nico Dijkshoorn en alsof de duivel ermee speelde droeg hij een tekst voor over Zwagerman. In het gedicht vertelt Dijkshoorn hoe hij tijdens een optreden Joost naar hem had zien turen. Na afloop kwam hij op Dijkshoorn af en zei: „cees buddingh’/ …jij bent gaan schrijven/ door cees buddingh’/ dat klopt toch/ toch?/ toch!” Het klopte en Joost was zo blij als de KNVB. Dijkshoorn besloot het gedicht met: „dat is de laatste keer/ dat ik joost zag/ dolblij/ omdat hij/ in ieder geval die avond/ een raadsel had opgelost/ drie weken later/ doodde hij zichzelf/ omdat het hem/ niet lukte/ te duiden/ waar hij middenin stond/ leven.”

Ik was er stil van, want het klopte. Joost zag zijn bestaan regelmatig als iets dat je kon duiden. Een stelling waarvoor een oplossing bestaat. Wie wist hoeveel dichters er die avond nog meer meeliepen, een probleem dat ze probeerden te ontmantelen. Een kluwen touw dat al frutselend alleen maar erger in de knoop kwam.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.