Recensie

Het verhaal van de verloren jongens

Henry (Henrietta) is nog voldoende kind om te kunnen geloven en leven in de werelden van haar lievelingssprookjes. Tegelijkertijd zet ze als een zelfbewuste tiener vraagtekens bij de zin van al die verhalen.

Het geheim van het Nachtegaalbos verscheen in het Verenigd Koninkrijk in 2016, honderd jaar na de Slag aan de Somme en de Zeeslag bij Jutland. Daarom eindigt de Britse Lucy Strange haar dankwoord in haar kinderboekendebuut ‘met een herinnering aan allen die in de Eerste Wereldoorlog hun leven gaven’.

Dat Strange zo afsluit, is begrijpelijk: het avontuur dat wordt verteld door de twaalfjarige Henry (Henrietta), wier broer Robert onlangs is overleden, speelt zich af in het Engeland van 1919. De Vrede van Versailles is in de maak, maar het dagelijks leven wordt getekend door de oorlog die onuitwisbare sporen van verdriet om ‘al die verloren jongens op zee en in de modder van het niemandsland’ heeft achtergelaten.

Toch gaat Stranges boek over meer dan dit oorlogsverdriet. In de kern is het een universeel verhaal over alle ‘verloren jongens’, hun gebroken moeders en verscheurde werelden, en de kracht van verbeelding en vertelkunst.

Vanaf het begin, wanneer Henry met haar ouders, babyzusje en kindermeisje vanuit Londen naar een oud plattelandshuis nabij de kust verhuist, onder het motto van een ‘nieuw begin’, speelt Strange vernuftig een suggestief spel met echt en onecht. De sfeer die ze oproept als Henry door haar nieuwe slaapkamerraam een dunne sliert rook uit het mysterieuze Nachtegaalbos omhoog ziet drijven, is ontegenzeggelijk die van een sprookje – geheimzinnig en griezelig. Aangetrokken door ‘de donkere bomenmassa’, geïnspireerd door het Witte Konijn uit Alice in Wonderland en aangemoedigd door de schim van haar dode broer Robert, volgt Henry een kat het bos in. Daar ontmoet ze een zonderlinge vrouw. Is ze echt? Of een heks?

Strange portretteert haar protagonist overtuigend als een levensechte, met zichzelf worstelende twaalfjarige. Ze is nog voldoende kind om te kunnen geloven en leven in de werelden van haar lievelingssprookjes en vertrouwde boeken, waaruit Strange effectief citeert. Tegelijkertijd zet ze, zoals past bij een zelfbewuste tiener, vraagtekens bij de zin van al die verhalen, die ‘toch niets aan de werkelijkheid kunnen veranderen’, de werkelijkheid waardoor haar broer ‘uit het gezin werd geamputeerd’. Zo weet ze best dat de schim van Robert die sinds zijn dood aan haar verschijnt een soort fantoompijn is: ‘het verlangen dat ik voelde naar iets wat niet meer bestond’.

Stranges beelden zijn trefzeker en haar poëtische zinnen passen het sprookjesachtige verhaal, waarin de vreemde gebeurtenissen zich snel opstapelen als Henry’s vader op zakenreis moet en haar rouwende moeder instort. ‘Verdwaald in het donkere doolhof in haar hoofd’ valt moeder in handen van de enigszins karikaturale, duivelse zenuwdokter Hardy, die haar als wetenschappelijk proefkonijn wil wegstoppen in een gesticht. Als Raponsje opgesloten in een eenzame toren, denkt Henry, die vervolgens geloofwaardig afglijdt in een nachtmerriebestaan en haar waarnemingsvermogen niet langer vertrouwt. Wanhopig vraagt ze de bosheks om hulp.

Deze zelfbenoemde ‘Mot’ fladdert als een Florence Nightingale door het boek. Ze laat het ademen en kloppen, en vervlecht Henry’s gebroken wereld prachtig met die van haarzelf. Haar tragische oorlogsverhaal over haar zoon vraagt moed om te worden verteld, maar heelt Henry’s wereld tegelijkertijd. ‘Verdriet is domweg geamputeerde liefde’, vertelt Mot, en alleen het leven zelf ‘kan het duister verlichten’. Dat klink nogal melodramatisch. En de ontknoping is dat ook. Maar echt storend is het niet: Strange heeft je dan allang betoverd.