Interview

‘Het is veel spannender om met imaginaire personages te leven’

Paul Auster In zijn nieuwe roman 4321 blinkt hij uit als klassieke, meeslepende verhalenverteller én als de experimenterende postmodernist die hij ook is. „Dit is géén, ik herhaal géén autobiografische roman.”

Karoly Effenberger/Hollandse Hoogte

Als een schrijver al na een paar minuten ongevraagd begint te betogen dat zijn roman niet autobiografisch is, moet je dat dan geloven of juist wantrouwen?

„Ferguson, dat ben ik niet”, zegt Paul Auster (1947) in zijn klassiek ingerichte brownstone in de gegoede buurt van Brooklyn, waar hij op lederen pantoffels ontvangt en soms een trekje neemt van een e-sigaret. „Het boek deelt de chronologie en geografie met mijn leven, en Ferguson deelt enkele eigenschappen met mij, zoals mijn interesse in sport, muziek, schrijven. Maar nee. Niet autobiografisch.”

Auster praat over 4321, de grootste roman die hij ooit schreef, bijna duizend pagina’s dik, waarin hij uitblinkt als klassieke, meeslepende verhalenverteller én als de experimenterende postmodernist die hij ook is. De roman vertelt hoe Archie Ferguson, een jongen uit Newark, New Jersey, geboren in 1947, opgroeit – maar dan in vier versies. Na het eerste hoofdstuk (met de daverende slotzin: ‘Zo werd Ferguson geboren, en nadat hij uit het lichaam van zijn moeder tevoorschijn was gekomen was hij enkele seconden de jongste mens op aarde’) vertakt het boek zich in de levensverhalen van vier jongens die Archie Ferguson heten.

„Op een zaterdagmiddag, ik zat daar aan de eettafel, kreeg ik dat idee: de what-ifs van een bestaan. Voor het eerst in mijn leven begon ik een roman met een vormidee en niet met een personage of een situatie, iets tastbaars. Op andere manieren begon het wel hetzelfde: met wat ik hoorde, want je moet een idee hebben van hoe de taal in een roman moet gaan klinken. Ik wilde de toon vangen van een soort mythische legende, episch. Ik dacht eerst aan negen Fergusons, of zeven, maar dat was ondoenlijk. Vier bleek het beste, vanwege de vier zijden van een vierkant, de vier elementen, windrichtingen, seizoenen.”

Realistische echtheid

Zo klinkt het bijna magisch, zeg ik. „Dat was de bedoeling.” Er zit, vanwege die vier mogelijkheden, een fundamenteel gevoel van verzonnenheid aan het boek, terwijl 4321 óók overloopt van de realistische echtheid van de buitenwereld. De verhalen spelen zich af tegen een waarachtige historische achtergrond – Auster is in de roman ook de chroniqueur van drie decennia Amerikaanse geschiedenis. „Historische feiten verzin ik niet. Nooit gedaan. Ik heb de geschiedenis vaker gebruikt, in Maanpaleis, Leviathan, en altijd accuraat.”

Auster gaat uit zichzelf door over het autobiografische: „Ik begon onlangs te denken: wat is autobiografie in een roman eigenlijk? Als je honderdduizend sigaretten hebt gerookt in je leven en je personage rookt een sigaret, is dat dan autobiografisch? En als je achthonderd kommetjes yoghurt hebt gegeten, en een personage eet yoghurt? Zie je hoe ondoordringbaar het wordt?”

Niettemin: er zijn inderdaad dwarsverbanden te slaan naar de werkelijkheid – 4321 refereert vaak genoeg aan Austers eerdere werk. En aan gebeurtenissen uit zijn leven.

„Nee hoor. Welke bedoel je dan?”

De blikseminslag? (In 4321 zijn we erbij als een tienerjongen om het leven komt wanneer hij getroffen wordt door de bliksem. Auster sprak er eerder over, schreef er eerder over.)

Okay. Nou, dat is de autobiografische kern van het boek. Dat is de reden waarom ik dit schreef. Ik was veertien jaar oud, op zomerkamp in de staat New York, in een groep van twintig jongens, en tijdens een boswandeling kwamen we in een enorme onweersbui terecht. We zochten een open plek en daarvoor moesten we onder een hek met prikkeldraad doorkruipen. Ik stond vlak achter een jongen die onder het hek doorkroop toen net de bliksem in het hek sloeg. Dood. Ik stond zó’n stukje van hem af. Toen begreep ik: alles kan gebeuren, op ieder moment, met iedereen.”

Het onverwachte

Het is een groot thema in Austers werk: toeval. De bepalende, formatieve kracht van het toeval. „Ik gebruik dat woord niet meer, omdat mensen het maar blijven herhalen. Ik heb een nieuw woord: het onverwachte. Dat is waar het om gaat. Het onverwachte gebeurt met enige regelmaat in het leven. En de dingen hoeven niet te gebeuren op de manier waarop ze gebeuren.”

Auster aarzelt even, en komt terug op de blikseminslag. „Het was één van de grootste, meest traumatische ervaringen van mijn leven. Het achtervolgt me – ik heb er een non-fictieverhaal over geschreven in The Red Notebook – en nu was het de reden dat ik wilde schrijven over de verschillende afslagen die het leven kan nemen. Maar de dood van de twee tienerjongens in het boek zijn niet dezelfde als die ik heb meegemaakt.”

Omdat het fictie móést worden, zegt hij. „De laatste boeken die ik schreef waren non-fictie: Winterlogboek, Bericht vanuit het innerlijk en mijn correspondentie met John Coetzee. Die eerste twee waren autobiografische werken en voor het eerst in mijn volwassen leven keek ik serieus terug op mijn kindertijd en dacht erover na, op een consistente, consciëntieuze manier. Ik begon me dingen te herinneren die ik eerder vergeten was. Mijn eerste vrouw had nog 500 velletjes aan brieven liggen die ik haar had geschreven tussen m’n negentiende en drieëntwintigste. Ze stuurde me kopietjes. Het was een ontmoeting met een vreemde. Ik was het contact met die jongen verloren.”

„Ik denk dat de ervaring van het schrijven van die twee boeken de grond heeft omgeploegd en het territorium van de jeugd heeft blootgelegd, zo’n bepalende periode. Als ik ze niet had geschreven, was het misschien niet in me opgekomen om deze roman te schrijven. De akker lag nu open, klaar om er iets nieuws te planten. Maar liever dan mijn eigen kindertijd gebruikte ik die akker voor een imaginaire jeugd.”

Dus dat benadrukken dat 4321 niet autobiografisch is… – hij roept weer uit: „It’s not! It’s not! Want het is veel spannender om met imaginaire personages te leven. Ik heb een aantal autobiografische werken geschreven, en die zijn me dierbaar. Ik beschouw ze overigens niet als autobiografie of memoir, maar als onderzoeking van een idee of gedachte, waarbij ik mezelf gebruik als voorbeeld. Maar zulk werk maakt niet diezelfde totale opwinding in me los als een roman.”

De zin, de lol en de uitdaging zaten er nu juist in dat hij het voor 4321 allemaal moest verzinnen hoe het met bijna-Paul Austers zou zijn gegaan als zij op cruciale punten niet Paul Austers ervaringen deelden. „Dat is waar fictie om gaat.” En ‘de essentie was dat hij de jongens lief moest hebben alsof ze echt waren’, zoals cruciale woorden uit 4321 luiden. „Anders is fictie niet aangenaam. Je moet als lezer kunnen geloven in de realiteit van de mensen op het papier, waarom zou je anders lezen? Dat geldt ook voor de schrijver, anders ben je niet emotioneel betrokken en kun je geen roman schrijven.”

Dan gaat de telefoon. Auster schuifelt erheen, neemt op, hangt na een paar seconden zwijgend weer op. Mopperend: „Een robottelefoontje. Die zijn vreselijk. Je neemt op, hoort eerst niets en dan begint er een robotstem te praten. Nu ik oud ben is het vaak de zorgverzekeraar. Dat ik in aanmerking kom voor plasmedicijnen of zo. Dingen die ik niet eens nodig heb.”

Ontwikkelen

Waar we waren: je moet in de fictie kunnen geloven. Dat is de taak van de schrijver – bij dit boek een enorme taak, zegt Auster. „Ik voel me geen poppenspeler, ik voel dat de personages daar zijn, dat ze bestaan. Maar alle Fergusons zijn verschillend, ze ontwikkelen zich elk op een verschillende manier. Het enige wat hen beïnvloedt is dat wat buiten hen ligt, hun familie, de plaats waar ze opgroeien, de historische omstandigheden.”

Dus de ene Ferguson krijgt een vreselijk slechte band met zijn vader, de andere Ferguson verliest zijn vader al vroeg. De ene Ferguson groeit op in Newark, de andere Ferguson buiten de stad. De ene Ferguson gaat naar Columbia University, de ander wordt kunstenaar in Parijs, weer een ander ondervindt de raciale segregatie, voelt hoezeer burgerrechtenactivisten paria’s waren.

„Weet je wat curieus is? Oorspronkelijk wilde ik de roman Ferguson noemen, maar toen ik het schreef vond dat vreselijke voorval plaats in het stadje Ferguson, Missouri, waarbij een witte agent een ongewapende zwarte jongeman doodschoot. Daardoor wordt de naam Ferguson nu geassocieerd met het raciale conflict in de Verenigde Staten, zoals Selma, Birmingham, Montgomery. Dus ik kon het niet als titel gebruiken: iedereen zou denken dat het over die gebeurtenis zou gaan. De hedendaagse realiteit botste op mijn verhaal over het Amerikaanse leven een halve eeuw geleden.”

Weet je, zegt Auster: geen één van de Britse of Amerikaanse recensenten ging in op het onderwerp ras in 4321. „Dat heeft me enorm verbaasd. Het is toch een van de grote onderwerpen in de roman.” Overigens denkt hij niet dat de roman beïnvloed is door de tijd waarin hij geschreven is – de laatste jaren van Obama. „Maar er doken meer mysterieuze parallellen op met het verleden, alsof er in vijftig jaar niets veranderd is. We zitten nog steeds verstrikt in dezelfde problemen. We zijn misschien verdeelder dan ooit.”

Hij begint over de Vietnamoorlog. „Wat ze pas recent hebben ontdekt is dat Lyndon Johnson, toen hij in 1968 besloot om zich niet te kandideren voor een tweede termijn als president, de Vietnamoorlog wilde beëindigen. Hij had al vredesbesprekingen op touw gezet. Maar om onduidelijke redenen kreeg hij de Zuid-Vietnamezen niet mee. Johnson vermoedde bemoeienis van Nixon, toen de Republikeinse presidentskandidaat, maar wilde zo’n grove aantijging niet doen zonder bewijs. Nu is dat bewijs er, dat Nixon tegen de Zuid-Vietnamezen heeft gezegd: wacht nog even, als ik president ben krijgen jullie een betere deal. En vervolgens duurde de oorlog nog zeven jaar. Sta daar eens bij stil, als dat toch anders was gelopen…”

Auster gaat er steeds somberder en vermoeider uitzien. „Ik denk dat flink wat Republikeinen vandaag de dag zouden zijn gaan vingerwijzen, ook zonder het bewijs. Wat een tragische voetnoot, hè?”