Column

Zachte waarden worden bedreigd

Foodbloggers beweerden onlangs doodleuk dat wetenschappelijk onderzoek waarin aangetoond wordt dat er een verband is tussen verzadigde vetten en hartaanvallen niet deugt. Het interessantste aan die hele kwestie vond ik de opmerking dat het hierbij niet helpt om feiten te presenteren. Wie een overtuiging heeft – ‘de aarde warmt helemaal niet op’ – heeft daar argumenten voor. En die argumenten hebben meestal het model van rationaliteit, ook als ze niet kloppen. Maar als iemand daartegenin begint te schreeuwen met andere, bétere feiten, bereikt die weinig. Want de reden om tot een bepaalde selectie van de feiten te komen blijft buiten beschouwing. Die reden ligt op het gebied van identiteit en morele waarden, zeggen onderzoekers.

Klinkt aannemelijk, vooral als het over ‘anderen’ gaat. Die zijn altijd erg tegen innovatie, verandering, inzicht en feiten. Ik ben zo niet.

Behalve soms. Ik ben bang voor artificiële intelligentie, voor robots en computerprogramma’s die menselijke maatstaven vervangen. Maar ook voor de mensen die triomfantelijk beweren dat mensen helemaal niet meer nodig zullen zijn – hoe denken die in ’s hemelsnaam over zichzelf? Als iets wat ‘nodig’ is? Een angstaanjagend misverstand, dunkt me, en daar zie ik dan ook meteen twee heel verschillende waardensystemen opdoemen: dat van efficiëntie, groei en vooruitgang tegenover dat van menselijkheid, cultuur en welbehagen. Daarom spreken hun ‘feiten’ mij niet aan, met hoeveel ervan ze ook op de proppen komen. Wie gelooft in de hapering, in zorgzaamheid en de slappe lach, in allerlei soorten van rommeligheid en onzekerheid, wordt allicht een beetje huiverig van dat praten over efficiëntie en voorspelbaar gedrag.

Ik las vorig weekend in de economiebijlage van NRC over een discussie tussen economen over wat er voor of tegen een monopolie is. Dat ze daarbij als voorbeeld twee dorpen nemen: in het ene is één groot restaurant, in het andere zijn er heel veel. De ‘retorische vraag’ (zo stond het er) daarbij was: welk is beter? Lijkt mij inderdaad een retorische vraag. Men wil wat te kiezen hebben als klant, zowel in kwaliteit als in prijs als in soort eten. (Geef ook de lowcarbmensen een plek.) Er zijn meer mensen aan het werk als je veel zaken hebt. De werkgevers zijn dan niet oppermachtig want er is concurrentie. Alles lijkt kortom te pleiten voor dat dorp met al die restaurants, ook als daar weleens een zaak failliet gaat vanwege de concurrentie. Maar voor economen is dat blijkbaar niet zo, want als dat grote restaurant goed zou lopen, was het prima.

Voor wie?

Dat soort denken, en dat dan toegepast op big data, geïmplementeerd in systemen waar het niet meer uit te halen is, daardoor voel ik me bedreigd. Rationeel of niet. Ik vind van wel. Maar ik voel heel goed dat het mijn waarden zijn die bedreigd worden. Ik ga beslist een van de boeken van Yvonne Hofstetter lezen, de technologiecriticus die waarschuwt voor het gebrek aan ‘zachte waarden’ in programmeertaal, voor de alomtegenwoordige spionage, voor de profielen die van mensen worden samengesteld op grond van hun gedrag op internet. Hoezo is dat vooruitgang?

Ik wil gewoon een onbeholpen tekening maken, voor mijn plezier, ook al kan een computerprogramma een veel betere tekening maken. Daar gáát het helemaal niet om. Het gaat om het kijken en de concentratie, om de aandacht, om de geur van potlood en de soort papier, om het ruisen van de regen op het dak en het licht dat op de kopjes valt, dat is allemaal leven. En daar weet een algoritme niets van.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC