Monniken spraken speelse mengtaal

Taalkunde

Middeleeuwse monniken praatten met elkaar in een mix van Latijn en volkstaal. Het was een informele taal voor ingewijden.

Geleerde West-Europese monniken spraken rond de elfde eeuw onder elkaar soms een merkwaardig mengsel van de lokale volkstaal (oudere vormen van Iers, Hoogduits, Engels en misschien ook wel Nederlands) en Latijn.

Veel wijst daarop. Het belangrijkste – zij het indirecte – bewijs daarvoor zijn ‘glossen’, informeel commentaar geschreven in de kantlijn of tussen de regels van bestaande theologische teksten. Soms wordt daarin voortdurend, vaak binnen dezelfde zin, heen en weer gegaan tussen Latijn en de volkstaal. Daarvan zijn voorbeelden bekend uit Engelse en Duitse kloosters.

Maar misschien de mooiste voorbeelden zijn een aantal oude Ierse handschriften, zoals het commentaar bij Félire Óengusso (Heiligenkalender van Oengus), waar Nike Stam, expert Keltische talen, onlangs op promoveerde bij de Universiteit Utrecht.

De becommentarieerde tekst is uit de negende eeuw, het commentaar erbij is van twee à drie eeuwen later. Stam: „Het commentaar geeft meer informatie over de behandelde heiligen. En het was waarschijnlijk ook bedoeld om dat negende-eeuwse Iers uit te leggen, want in de eeuwen daarna was de Ierse taal alweer flink veranderd.”

In het commentaar lopen Iers en Latijn door elkaar heen. Er staat bijvoorbeeld ergens ‘scarait feliciter’: ‘ze gingen gelukkig uiteen’. Het eerste woord is Iers, het tweede Latijn. Een langer voorbeeld ziet er zo uit: ‘hoc die ad romam tasc bais maire pervenit‘: ‘die dag bereikte het nieuws van de dood van Maria Rome’ (Latijn hier cursief).

Een monnik gaat boodschappen doen en doet dat in een voor de buitenstaander onbegrijpelijk mengsel van Iers en Latijn

Nike Stam vindt dat je aan de tekst kunt zien dat de monniken beide talen goed spraken. „Het is heel aannemelijk dat ze ook onder elkaar soms Iers en Latijn door elkaar spraken. Er is een tekst uit de vroege Middeleeuwen die daar de draak mee steekt: een monnik gaat boodschappen doen en doet dat in een voor de buitenstaander onbegrijpelijk mengsel van Iers en Latijn.”

Het door elkaar heen weven van twee verschillende talen in een gesprek tussen mensen die beide talen goed spreken wordt code-switching genoemd. In de jaren negentig was dit onder taalkundigen in Nederland een populair, want actueel onderzoeksonderwerp. Je kwam het opeens veel tegen in Nederland. Je hoorde het weleens op straat of in de trein: kinderen van migranten die onder elkaar een virtuoos mengsel van Nederlands en een andere taal (zoals Berbers of Turks) spraken.

Iers en Latijn lopen door elkaar in het commentaar bij de 9de-eeuwse Félire Óengusso (Heiligenkalender van Oengus). Hier staat: hoc die ad romam tasc bais maire pervenit: ‘die dag bereikte het nieuws van de dood van Maria Rome’. De woorden tasc bais maire zijn Iers. Foto Bodleian Library, Oxford

Typisch een spreektaalverschijnsel, dacht men toen. Maar met de opkomst van internet en mobiele telefoons zijn er nu geschreven (nou ja, getypte) genres ontstaan, waarin dit ook op grote schaal gebeurt: in apps, op internetfora.

Op Maroc.nl schrijft iemand: „In Shaa Allah dat je met behulp van Allah Ta’ala en de waarheid je weg helemaal terug vindt, that the nights no longer frighten you and the days lighten up” (drie talen!). Op een site voor jonge Nederlandse Chinezen: „Er gaat niks boven tung fong leu seng fung mee.” Ook vindt er veel code-switching plaats tussen Standaardnederlands en dialect. Bijvoorbeeld op GeenStijl: „Ik stel voor dat we bijeen leggen voor een nieuwe tractor voor deze jongeman. Alleen welke kleur tractor hedde gij?”

Het commentaar van de Ierse monniken was vermoedelijk net zo informeel, en misschien ook wel net zo speels, als die reacties op de internetfora.

Nike Stam: „Die vermenging gebeurt vanzelf, voor een deel bewust, en voor een deel onbewust. Soms begrijp je waarom ze iets liever in het Latijn zeggen, maar meestal lijkt het volkomen willekeurig. En het is zeker ook iets dat gecultiveerd wordt binnen zo’n groep. Het geeft ze een eigen plek, een eigen identiteit. Die monniken positioneren zich hiermee als een hechte, op zichzelf staande intellectuele geestelijke elite.”

Er bestaat ook een mooi Nederlands voorbeeld van een commentaartekst waarin monniken Latijn en hun moedertaal door elkaar heen gebruiken. Toevallig – of niet helemaal toevallig? – is dit een commentaar bij de eerste complete lange tekst in het Nederlands die we nog hebben: de Leidse Willeram, een bewerking van het Hooglied in het Oudnederlands, midden elfde eeuw. Daar zit een heel uitvoerig commentaar bij waarin door en voor monniken wordt uitgelegd hoe die tekst - op het eerste oog een erotisch getint bruiloftslied - geïnterpreteerd moet worden als een metaforische verhandeling over de verhouding tussen God en de gelovige. Een karakteristieke zin uit dat commentaar is: „Wanda min sponsus is deus et homo ande her warth incarnatus ex virginali castitate.” Er staat: „Want mijn gemaal is God en mens en hij werd tot vlees vanuit maagdelijke kuisheid.”