Visgraten verraden: Vikingen brachten kabeljauw naar Duitsland

Middeleeuwen

Waar kwamen de restjes kabeljauw vandaan in een duizend jaar oud Duits Vikingdorp? Helemaal uit de Barentszee, is te zien aan het DNA uit de graten. De Vikingen brachten stokvis mee.

Stokvis hangt te drogen op een eiland van de Noorse eilandengroep Lofoten. Foto iStock

Duizend jaar lang lagen visgraten van kabeljauw in de modder van een oude Viking-nederzetting in Duitsland. En nu nog is aan hun DNA te zien dat deze vissen ooit ver weg van Duitsland zwommen, in de Atlantische Oceaan ten noorden van Scandinavië.

Zo laat ancient DNA-onderzoek zien dat Vikingen al zeker sinds de 11de-eeuw kabeljauw over grote afstanden vervoerden in Europa. Hoogstwaarschijnlijk is de kabeljauw op de Lofoten bij Noorwegen gedroogd tot stokvis, en daarna per schip meegenomen. Het Europese onderzoek, uitgevoerd onder leiding van de Universiteit van Oslo, is maandag gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS.

Er was al wel bewijs uit geschriften en archeologische opgravingen dat er vooral ná de Vikingtijd (de 12de tot 14de eeuw) stokvis uit Noorwegen werd geëxporteerd naar steden rond de Noord- en Oostzee. Aanwijzingen voor zulke handel door Vikingen komen alleen uit IJslandse saga’s, die pas eeuwen na dato zijn opgetekend. Daar komt nu DNA-bewijs bij.

Het meest opmerkelijke aan het nieuwe Noorse onderzoek echter is dat het aantoont dat in eeuwenoude visgraten, die niet dik en stevig zijn, DNA toch goed bewaard blijft. „Wij waren erg verrast”, zegt eerste auteur Bastiaan Star desgevraagd, een Nederlandse onderzoeker die in Oslo werkt. „De conservering lijkt bijna net zo goed als in de hardste zoogdierbeenderen.”

Op de Lofoten wordt waarschijnlijk al 1.500 jaar stokvis geproduceerd. Kabeljauw uit de Barentszzee ten noorden van Scandinavië komt in de winter massaal naar de eilandengroep voor de Noorse kust om te paaien. Bij temperaturen rond het vriespunt wordt de stokvis traditioneel zonder zout gedroogd en kan dan tot tien jaar goed blijven.

Vikingen, die hun zeereizen begonnen aan het eind van de achtste eeuw, namen die stokvis dus mee, als proviand of als handelswaar. Star en zijn collega’s vonden de visgraten terug in de Vikingstad Hedeby, die nu in het uiterste noorden van Duitsland ligt. De visgraten stammen uit de periode 800-1066.

Hedeby ligt aan de Oostzee. Toch zijn de gevonden kabeljauwen duidelijk níét uit die wateren afkomstig. Dat was pas te zien na gedetailleerd DNA-onderzoek, want kabeljauwen uit verschillende Noord- en West-Europese wateren lijken genetisch sterk op elkaar. Het verschil is alleen te zien aan vier zogeheten ‘inversies’ (stukken DNA waarvan de leesrichting is omgekeerd). Met name de kabeljauw-populatie uit de Barentszzee heeft zijn eigen patroon.

Om daaruit conclusies te kunnen trekken over de Vikingtijd moet en die verschillende groepen vissen al wel duizend jaar bestaan. Dat is zo, betogen de onderzoekers. Ze zien het vooral aan oude kabeljauwen van archeologische vindplaatsen op de Schotse Orkney-eilanden, waar geen vistransport plaatsvond. Het DNA van die oude vissen lijkt sterk op dat van moderne Noordzee-kabeljauw. Star: „En het is ook tekenend dat we het kenmerkende patroon uit de Oostzee helemaal niet vinden in Hedeby. Als er wel genetische verschuivingen zouden plaatsvinden, zou je daar een gemengd patroon verwachten.”

Het team van Noorse, Duitse, IJslandse, Zweedse en Britse onderzoekers wil met behulp van oud vissen-DNA in kaart brengen hoe de Europese visvangst zich in de afgelopen duizenden jaren heeft ontwikkeld. Star: „En we zijn bezig met walrussen. In de Vikingtijd waren hun slagtanden een luxeartikel.”

Correctie (9 augustus 2017): de zee ten noorden van Scandinavië heet de Barentszzee, niet de Barentszee, zoals hier eerder stond. [red.]