Column

De zwakte van Poetin, Erdogan en Zuma

Poetin, Erdogan en Zuma regeren in verschillende delen van de wereld, maar ze hebben meer gemeen dan we denken. Hun regimes vertonen ten eerste alle drie een paradox: Rusland, Turkije en Zuid-Afrika zijn officieel democratieën, maar ondanks grote ontevredenheid heeft geen van deze drie landen een geloofwaardige oppositie. Natuurlijk wordt het de oppositie ook moeilijk gemaakt, zeker in Rusland, maar dat is niet voldoende om de afwezigheid van een sterk, alternatief geluid te verklaren.

Tieners zullen opstandiger worden. Regimes verliezen hun grip op de volgende generatie.

Voor een verklaring moeten we ruim twintig jaar terug in de tijd. De drie landen maakten toen een pijnlijke transitie door. In Zuid-Afrika was dat het einde van apartheid, Turkije had een serie politieke en economische crises en in Rusland viel de Sovjet-Unie. De huidige regimes kwamen als overwinnaars uit die crisis: het ANC kreeg de macht in Zuid-Afrika in 1994 (toen onder Mandela), Poetin in 2000 en Erdogan in 2003. Voor de zwarte bevolking in Zuid-Afrika, voor de verarmde, gewone Russen en de vrome moslims van Turkije werden deze leiders de kampioenen die hun leven weer waardigheid gaven. Toen het in de jaren nul goed ging met de wereldeconomie, groeide de middenklasse en kregen deze landen wereldwijd een steeds betere reputatie. Een klassiek heldenverhaal.

Een andere eigenschap die deze drie regimes delen is dat zij de laatste jaren zijn verstard. Het gaat niet meer goed met de economie en er is te weinig gedaan om die duurzamer en innovatiever te maken, zeker in Zuid-Afrika en Rusland. De elite blijkt een gesloten netwerk dat de greep op de bevolking versterkt en schandalen over hun immense welvaart komen naar boven. De teleurstelling onder de bevolking groeit en internationaal raken de regimes meer geïsoleerd door hun autoritaire gedrag. Voor veel mensen die de crisisjaren en de verbetering daarna echter hebben meegemaakt, staan het ANC, Poetin en Erdogan met hun heldenstatus nog steeds boven de partijen. Maar daar gaat iets in veranderen.

Nu wordt namelijk een generatie volwassen die na de eeuwwisseling is geboren. Zij hebben de pijn van de crisisjaren niet meegemaakt en hebben dus ook geen bewuste herinnering van de redding. Natuurlijk wordt ze daar wel over verteld, maar dat is anders dan het zelf meemaken. Deze generatie heeft geen andere leiders gekend dan de huidige. Alles wat er mis is in hun land zullen zij wijten aan dit regime. De schuld geven aan apartheid, de val van de Sovjet-Unie of de Turkse seculiere elite wordt steeds minder plausibel.

Er is nog een reden waarom tieners opstandiger zullen worden. Jongeren overal in de wereld gaan nu anders om met media. Nieuws halen zij van social media en steeds minder uit de krant. In plaats van lineaire televisiekanalen prefereren zij online videodiensten. De klassieke manier waarop leiders hun bevolking beïnvloedden – via de staatskrant en de staatstelevisie – verdwijnt, en dus verliezen regimes hun grip op de volgende generatie.

Er zijn al tekenen van verandering. In plaats van millennials, waren tieners prominent in de Russische protesten eerder dit jaar. Een video-opname ging er viraal waarin middelbare scholieren hun docenten tartten over het regime. Sinds Gezi-park protesteert een generatie Turkse jongeren. Zuid-Afrikaanse studenten verliezen het geloof in het ANC en protesteren tegen de ongelijkheid in het land.

Kunnen de machtshebbers hier iets aan doen? Misschien door een nieuw heldenverhaal te creëren. Zoals de annexatie van nieuw land of een overwonnen coup. Dat helpt misschien even, maar die verhalen zijn controversieel. Op de lange termijn is het te weinig om een nieuwe generatie te inspireren.