De agent had nog dagen last in het kruis

Wie: Jos H.

Kwestie: dubbele scrotumgreep

Waar: rechtbank Utrecht

De advocaat gaat staan en wendt zich af van de rechter. Met zijn handen op zijn rug, alsof hij is geboeid, begint hij knijpbewegingen te maken. „Theoretisch is het mogelijk, ja”, licht hij toe.

Theoretisch is het mogelijk dat zijn cliënt bij diens aanhouding de agent, die pal achter hem stond, in het kruis heeft gegrepen. „Maar dan moet je wel héél dichtbij komen.” Aannemelijker, vindt hij, is dat zijn cliënt de agent per ongeluk in de gevoelige delen heeft geraakt.

Wat verder opvalt, vervolgt de advocaat, is dat óók de portier van het café, met wie zijn cliënt even ervoor ruzie kreeg, verklaart in zijn scrotum te zijn geknepen. „De portier én de agent doen aangifte van hetzelfde feit. Dat is wel héél toevallig. Want wie heeft de aangifte van de portier opgenomen? Tádáá… diezelfde agent!” Alsof ze elkaars verklaring hebben beïnvloed, wil hij zeggen.

„Suggereert u nou dat de agent deze geweldshandeling heeft verzónnen?” De officier van justitie kijkt verbaasd. „Dat gaat mij veel te ver.” De officier benadrukt dat de agent drie dagen na het incident nóg last had van zijn edele delen. „Overigens, complimenten voor uw uitvoering zojuist.”

De 30-jarige verdachte Jos H. ziet er niet uit als een ballenknijper. Met zijn frisse kapsel en lichtblauwe overhemd oogt hij eerder als een zakenman. Hij heeft zijn eigen dossiertas meegenomen en rommelt af en toe wat door zijn papieren, net als zijn advocaat. Jos heeft een blanco strafblad, een vriendin, en een verantwoordelijke baan als servicemanager bij een vrachtwagengarage.

Alleen die ene avond ging het even mis. Op 30 maart jongstleden zat hij met collega’s in een Utrechts feestcafé toen hij rond 00.15 uur een appje kreeg van de taxichauffeur, die stond voor de deur. Hij liep naar buiten maar werd tegengehouden door de portier, omdat hij zijn glas nog in zijn hand had. Jos werd naar eigen zeggen hard teruggeduwd, waarna de vlam in de pan sloeg.

Getuigen zagen Jos, die aangeschoten was, een vuistslag uitdelen. Meerdere mensen gingen zich ermee bemoeien en volgens de portier heeft Jos hem ergens in de hectiek in het kruis gegrepen. Jos ontkent.

Vervolgens klonken er loeiende sirenes en is Jos weggerend. Verderop werd hij door een agent tegen de grond gewerkt en geboeid. Even had hij de gelegenheid op adem te komen op een vensterbank, maar meteen daarop pakte een tweede agent hem hardhandig aan. Jos stribbelde tegen en toen meerdere agenten hem op de achterbank van een politieauto probeerden te duwen, zette hij zich met beide voeten af tegen het voertuig. „Kleine tyfusflikker!”, had hij geroepen.

Op dat moment zou hij, achterwaarts en geboeid, de agent vol in het scrotum hebben gepakt. Die schrok zo van de pijn dat-ie Jos meteen een dreun verkocht.

De rechter kijkt de verdachte aan. „Dit is natuurlijk wel een wat ander verhaal dan u heeft.”

„Klopt”, zegt Jos.

Getuigen van de knijpincidenten zijn er niet, dus worden de camerabeelden erbij gehaald. In een hoekje van de rechtszaal kijkt het gezelschap roerloos naar een scherm. De advocaat: „Je ziet geen handen in de buurt.”

De officier: „Maar het kán wel.”

De rechter: „Niet alles is te zien.”

De portier heeft de hele gebeurtenis als vervelend ervaren, zegt de officier. „Volgens zijn omgeving is hij chagrijniger en prikkelbaarder dan voorheen.” En ook de agent heeft er een „knauw” van gehad. „Hij vond het erg laag om in zo’n gevoelig lichaamsdeel gegrepen te worden.” De officier eist tachtig uur taakstraf wegens dubbele mishandeling en verzet bij aanhouding.

De politierechter vonnist meteen. Ze acht de vuistslag tegen de portier bewezen, net als het verzet bij aanhouding. De greep in het scrotum van de portier niet, bij gebrek aan getuigen. Die in het scrotum van de agent wel; zijn verklaring is ambtsedig, dat weegt zwaarder.

Jos H. krijgt 60 uur taakstraf. Hij staat op en grijpt met zijn rechterhand naar de rugleuning van de stoel. Hij schuift ’m aan.