Interview

Hoe ver mag een democratie gaan om zich te beschermen tegen zelfvernietiging?

Bastiaan Rijpkema

Om de democratie te bewaken moet soms ondemocratisch worden ingegrepen, door het verbieden van een partij.

Rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema: „De PVV is nog niet antidemocratisch, wel antirechtsstatelijk.” Foto Marco Okhuizen/hh

Wetenschapstalent 2017, met die eervolle titel (en opdracht) namens het blad New Scientist gaat de Leidse rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema (1987) sinds vorige maand door het leven. Hij was de enige jurist die doordrong tot de top-25 van in totaal 44 kandidaten van Vlaamse en Nederlandse universiteiten, hoofdzakelijk uit de bètahoek.

De top-25 en de winnaar werden vastgesteld door een jury en een publieksstemming, die ieder voor de helft meewogen. Rijpkema voerde zelf campagne via YouTube, met hulp van de Leidse universiteit waar hij universitair docent is.

Rijpkema was al bekend door zijn dissertatie Weerbare democratie. De grenzen van democratische tolerantie. In 2016 ontving hij er de Prinsjesboekenprijs voor het beste politieke boek. Hij geniet zichtbaar van het succes, een jonge rechtsfilosoof op wie de zon schijnt.

Rijpkema onderzocht het verschijnsel dat het in een open democratie mogelijk is voor antidemocratische partijen om het systeem van binnenuit te vernietigen. Hoe precies, wanneer en op exact welke gronden zou je een antidemocratische politieke partij moeten kunnen verbieden? En doen we dat nu wel goed? Dat is zijn thema. Sinds de Weimarrepubliek in de jaren dertig werd opgeblazen door de democratisch gekozen NSDAP van Adolf Hitler staat dit vraagstuk in de rechtsfilosofie bekend als de militant democracy. Hoe weerbaar, intolerant, afwerend, strijdbaar, onverschrokken of assertief mag een open democratie tegen autoritaire bewegingen met electorale steun zijn?

Een toekomstig verbeterd partijverbod moet van Rijpkema op streng doordachte, helder geformuleerde gronden mogelijk zijn. Een partijverbod als noodrem in de democratie. Als de rechter het glas inslaat, moet iedereen ook kunnen begrijpen waarom dat is toegestaan.

Zo min mogelijk vrije interpretatieruimte dus, juist om de rechtspraak te beschermen tegen het verwijt ‘politiek te bedrijven’. Rijpkema ziet drie verdedigingslinies tegen antidemocratische bewegingen: het democratische debat (overtuigingskracht), de rechtsstaat (een goed beveiligde Grondwet) en ten slotte het ultieme rechterlijke partijverbod. Ook het meerpartijenstelsel dat tot coalities leidt, helpt. Een complexe formatie vindt hij dan ook „een zegen”.

Het Openbaar Ministerie mag van hem pas om een partijverbod vragen als het zelfcorrigerende vermogen van de democratie door een antidemocratische partij onomstotelijk wordt aangetast. In de wet staat nu als criterium voor een verbod ‘in strijd met de openbare orde’, wat is ingevuld met ‘als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel’. Dat vindt Rijpkema te vaag.

Het ging toch met ‘strijdig met openbare orde’? Waarom dan de wet veranderen?

„In Spanje werd Batasuna verboden met een wet die kort daarvoor was ingevoerd – die werd daar dus meteen als anti-Batasuna-wet gezien. Juist omdat we nu nog niet zo’n partij hebben, moeten we dit huiswerk nu doen.”

Zullen we dan meteen maar de PVV doornemen? Die zou zich door deze maatstaf best bedreigd kunnen voelen.

„De uitspraken of voorstellen die de PVV doet, zijn wat mij betreft nog niet antidemocratisch, maar zeker antirechtsstatelijk. Ze schurken er wel tegenaan, af en toe. Denk aan het voorstel om moslims op basis van geloof te weren uit het leger. Als je dan een stap verder zet, hypothetisch dus – stel dat de PVV op basis van geloof kiezers van het kiesrecht in de gemeente raad wil uitsluiten. Dan zit je in het hart van democratische zelfcorrectie. Mensen kunnen dan niet meer stemmen, of verkiesbaar worden. Dan zou ik het als antidemocratisch kwalificeren.

„Dan heb je het verbod op de Koran, het sluiten van moskeeën en islamitische scholen – dat is het op ongehoorde wijze afpakken van grondrechten van delen van de bevolking. Dat is ook antirechtsstatelijk. Er zijn uitspraken gedaan die ondemocratisch zijn, maar zodra er kritiek komt, wordt er meestal meteen genuanceerd. Neem die ‘revolte’ als de PVV de grootste zou zijn geworden en niet bij de formatie zou zijn betrokken. Daarvan werd later gezegd: dát willen we dus niet, dus moeten jullie met ons coalitiebesprekingen voeren. Maar een democratische houding zou zijn: uitleggen dat in een meerpartijenstelsel ook de PVV geen automatisch ticket heeft om aan tafel te zitten.”

Het Europese Hof keurde het Turkse verbod van de Welvaartspartij onder meer goed omdat die partij de sharia bepleitte - volgens het Hof ‘niet te verenigen met de democratische rechtsstaat’. Maar dat soort uitspraken vindt u onverstandig.

„Je komt als rechter dan terecht in een theologische discussie. Uit 1.400, 1.500 jaar theologische geschiedenis is altijd wel een interpretatie van de sharia naar voren te schuiven die misschien wel, op delen, verenigbaar is met de democratische rechtsstaat. Als een rechter zich in dat debat mengt, wordt hij kwetsbaar. Hij moet zijn stellingen op constitutioneel terrein betrekken. Bovendien raak je dan aan de scheiding tussen kerk en staat.”

Stel dat 50Plus vindt dat alleen 50+’ers gekozen mogen worden. Of de PVV wil moslims het kiesrecht ontzeggen, dan …

„… tast je inderdaad de kern aan van de democratie, het vermogen om zichzelf te corrigeren, dat er vrije politieke concurrentie moet zijn. Maar het punt is dat het voor een weerbare democratie niet uit zou moeten maken wat de inspiratiebron is. Of zoiets nou voortkomt uit links of rechts gedachtengoed of religieuze orthodoxie – dat maakt geen verschil.”

Wanneer kom je met een verbod, als zo’n partij eenderde van de stemmen heeft, een kwart, de helft?

„In Turkije werd de communistische partij veel te vroeg verboden, namelijk toen ze alleen nog maar haar statuten had gepubliceerd. En in Algerije kwam ingrijpen veel te laat – de tweede verkiezingsronde werd geannuleerd toen het islamitische FIS op een tweederdemeerderheid afstevende. De Tour de France kap je ook niet af vlak voor de finish. Een mathematisch goed moment is er nooit – een partij verbieden is voor een rechter ook iets heel heftigs.

„Een maatstaf zou kunnen zijn dat je het doet op een moment waarop de schade die je met een verbod toebrengt aan de democratie kleiner is dan het leed dat je ermee voorkomt. Kleine antidemocratische partijen die voor de democratie weinig riskant zijn, kunnen dan blijven bestaan. Zo had je achteraf vanuit democratisch oogpunt ook over CP’86 kunnen denken.”