De vrouwen zijn eindelijk ook Oranje

Een opsteker voor sportieve patriotten. Ook de vrouwen die Nederland vertegenwoordigen in het huidige Europees Kampioenschap voetbal gelden in de krant nu als ‘Oranje’.

Gek genoeg was die aanduiding tot voor kort voorbehouden aan de mannen, een overblijfsel uit de tijd dat vrouwenvoetbal niet serieus werd genomen. Maar een dag na de aftrap van het EK Vrouwen 2017 kwam de nieuwe richtlijn van de eindredactie: ook het vrouwenelftal wordt ‘Oranje’ genoemd. En niet alleen zij, ook vrouwelijke én mannelijke teams in andere sporten die aantreden namens Nederland. Dubbele emancipatie.

Een kleine stap voor de mensheid, misschien, maar een terechte correctie voor de krant, die met het gebruik van ‘Oranje’ nu in de pas loopt met andere media. Volgens het woordenboek is het nu eenmaal gewoon de omschrijving van een nationale ploeg – niet alleen van een mannenploeg. Dat geldt niet voor de nieuwe eretitel ‘leeuwinnen’, die nu ook oprukt - dat is eerder recent bedacht chauvinisme.

Pardon, zei ik daarnet ‘vrouwenvoetbal’? In datzelfde bericht van de eindredactie werd ook die term in de ban gedaan, ten faveure van het ‘voetbal voor vrouwen’. Argument: de sport heet voetbal, de sport ‘vrouwenvoetbal’ bestaat niet, net zomin als vrouwenhockey of vrouwenzwemmen. De term gebruiken impliceert dat mannen in het voetbal de norm zijn.

Juist. Genderterminologie luistert inderdaad nauw, beste lezers. Maar moeten we dan niet, heette het na die oekaze op de werkvloer alweer ironisch, eigenlijk nog liever spreken van ‘voetbal voor personen die vanaf de geboorte zijn gezien als vrouw’?

Bij nadere exegese blijkt de soep niet zo heet te worden gegeten: het gaat in de eerste plaats om de naam van het toernooi. Dat heet het ‘EK voetbal voor vrouwen’, niet het ‘EK vrouwenvoetbal’. De langere omschrijving verdient ook de voorkeur in artikelen erover, maar de term ‘vrouwenvoetbal’ kan nog zeker worden gebruikt, verzekert de chef Sport.

Dat lijkt me verstandig. De krant spreekt immers ook van ‘jeugdvoetbal’ en ‘amateurvoetbal’ (en nee, vrouwen zijn geen amateurs, maar het is toch ook dezelfde sport). Het vervangen van ‘vrouwenvoetbal’ door ‘voetbal voor vrouwen’ kan trouwens ook verwarring wekken, alsof het gaat om voetbal dat vooral is bedoeld voor een vrouwelijk publiek, zoals ‘vrouwenkleedkamer’, of, ander amusement, ‘vrouwenporno’. Terwijl dit voetbal inmiddels nu juist wordt bekeken door iedereen, man, vrouw, binair of non-binair, bigender of cisgender. Zelfs walrusachtige mannen met snorren bomen er graag over.

Wat zich hier wreekt, is de dubbelzinnigheid van een woordcombinatie die kan slaan op de doelgroep van een begrip maar ook op de inhoud ervan (vergelijk dat ‘vrouwenporno’ met ‘kinderporno’, toch zeker níet voor kinderen). Een seksistisch begrip als ‘vrouwenwerk’ identificeert die twee betekenissen: werk dat bedoeld is voor vrouwen omdat het qua aard ‘typisch vrouwelijk’ zou zijn. Maar ‘vrouwenvoetbal’ is zich juist van die denigrerende dubbele lading aan het ontdoen.

Oekazes over woorden zijn ook maar een laatste toevlucht in de journalistiek, waar zorgvuldige maar ook begrijpelijke taal de regel moet zijn. Natuurlijk kan de lading van woorden verschuiven onder invloed van maatschappelijke discussie. Zie het – terecht – gaandeweg verdwijnen van het N-woord en de controverse over ‘wit’ of ‘blank’ (de krant gebruikt beide). Kunst voor journalisten, die het moeten doen met concreet Nederlands, is dan om verwarring te voorkomen tussen een puur beschrijvend en een vaag of normatief beladen gebruik van hetzelfde woord.

Neem, op een heel ander taalfront, het veelgebruikte ‘islamitische terreur’. Je begrijpt wat ermee bedoeld is, maar wat is er islamitisch aan ‘terreur’? Terrorisme, opgevat als geweld met het oogmerk angst te zaaien, eisen af te dwingen of een samenleving te destabiliseren is op zichzelf een middel dat door allerlei ideologische partijen kan worden gebruikt.

Minder suggestief maar ook omstreden, is het spreken van islamitisch, links of rechts ‘terrorisme’. Met het bijvoeglijk naamwoord is dan niet gezegd dat een terreurdaad als zodanig ‘íslamitisch’, ‘links’ of ‘rechts’ is (zoals ‘islamitisch bankieren’ wél een andere vorm van bankieren is), maar wordt iets beweerd over de daders en hun beweegredenen. Nog wat concreter is dan: terreur door islamitische, linkse, rechtse of andere extremisten.

Dat geldt ook voor organisaties. IS een extremistisch-islamitische beweging noemen, maakt tegelijk duidelijk dat dit kalifaat wel ‘iets te maken heeft met’ de islam (tegen het obligate verwijt van wegkijken) maar ook dat het hier niet gaat om ‘de’ islam, maar om een extremistische variant.

Zo zijn er veel meer voorbeelden van taalgebruik dat inzet is van polemiek en het bestrijden van al dan niet suggestieve dubbelzinnigheid. Nuttig, want in de berichtgeving moet stigmatiserende of gepolitiseerde taal zoveel mogelijk worden vermeden.

Maar dubbelzinnigheid en inconsistentie totaal uitbannen, lijkt me onmogelijk. Om een filosoof te parafraseren: een taal is geen symmetrisch geplande metropool met een loodrecht stratenplan, eerder een wirwar van straten en stegen waar mensen meestal toch hun weg in weten te vinden.

Soms loopt een steeg dood, dat wel. Dan moet er een waarschuwingsbord bij. De Oranjestraat, bijvoorbeeld, is niet alleen voor mannen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl