Recensie

Literaire restjes van wisselende kwaliteit

Dikwijls zijn de verzamelingen van restjes uit de nalatenschap van overleden auteurs weinig meer dan dat: restjes. Maar in het geval van deze verzameling van F. Scott Fitzgeralds ongepubliceerde ‘verloren verhalen’ is er toch iets meer aan de hand. Ze tonen misschien te weinig waartoe hij literair in staat was, maar illustreren genadeloos hoe hij worstelde met de neergang van zijn reputatie, met het feit dat hij zich ervan bewust was dat zijn glorietijd achter zich lag. Hoezeer hij zich liet meeslepen door het dédain dat hem ten deel viel, blijkt vooral uit die ook hier weer in de inleiding geciteerde brief aan uitgever Maxwell Perkins: In a small way, I was an original.

Fitzgerald was, na het enorme succes van The Great Gatsby en This Side of Paradise, hoofdzakelijk een broodschrijver geworden, die kampte met zijn gezondheid, maar vooral met de torenhoge rekeningen voor de studie van dochter Scottie en de behandeling van zijn aan schizofrenie lijdende vrouw Zelda. Zijn werk was vergeten. Het totaal aan royalty’s dat hij in 1939 voor zijn acht gepubliceerde boeken ontving, bedroeg 33 dollar.

Hij werkte met tussenpozen als scenarioschrijver in Hollywood (werk dat hij zelf cynisch becommentarieerde in zijn Pat Hobby-verhalen) en bleef verhalen aanbieden aan de grote publiekstijdschriften uit die periode, zoals Esquire en The Saturday Evening Post. Het probleem was dat die tijdschriften alleen verhalen wilden zoals ze die kenden van de Fitzgerald uit de jaren twintig, de Jazz Age, die hij zo fraai gestalte had gegeven in zijn oeuvre. De tijdschriften wilden meer verhalen over feesten, roekeloze meisjes en knappe jongens, maar Fitzgerald kon ze niet meer leveren; de redacteuren ‘blijven me maar associëren met een allesverterende belangstelling voor jonge meisjes – iets wat me op mijn leeftijd achter de tralies zou doen belanden’. Hij schreef over heel andere dingen, over sanatoria, de Burgeroorlog, en lang niet altijd even goed. En als ze al geaccepteerd werden, zakte de prijs ervoor dikwijls tot ver onder de duizend dollar (voor de Pat Hobby-verhalen zelfs tot 200 dollar).

‘Een slechte Fitzgerald is nog altijd Fitzgerald’, las ik in een bewonderende bespreking. Met alle respect voor zijn oeuvre, dat ik nog steeds tot een van het dierbaarste van de vorige eeuw houd, doet het me pijn te moeten zeggen dat deze verzameling daar weinig bevestiging voor geeft. Sommige probeersels zijn ontluisterend, vooral de als scenario-treatment bedoelde stukken, alsmede de pogingen dode paarden nieuw leven in blazen. Daar staat wel wat behartigenswaardigs tegenover wat vooral de bewonderende lezer aan de vertrouwd briljante Scott herinnert.

De wisselende kwaliteit van wat hier is bijeengebracht, zou de suggestie kunnen wekken dat Fitzgerald alleen nog maar matig tot slecht werk afleverde in de laatste jaren van zijn leven. Dat klopt niet. Hij schreef aan The Last Tycoon, een van zijn beste werken, helaas onvoltooid. Ook de autobiografische stukken die Edmund Wilson verzamelde in The Crack-Up dateren uit deze periode, evenals enkele verhalen die bijeengebracht werden in The Afternoon of an Author en The Stories of F. Scott Fitzgerald en die hem nog steeds laten zien als een gelouterd maar af en toe briljant auteur.

Het boek is voorbeeldig bezorgd door Anne Margaret Daniel, die de Werdegang van al deze verhalen minutieus heeft gedocumenteerd, van afwijzing door tijdschriften, via de correspondentie met zijn agent Harold Ober en zijn uitgever, tot de koppige weigering van de auteur om de dikwijls vereiste wijzigingen aan te brengen. Het zijn mede de details die ze hierover opdiept waardoor dit boek een oneindig trieste indruk achterlaat. Niet het minst omdat er al vrij snel na zijn dood een herwaardering van zijn werk van start ging, die nog altijd voortduurt.