Opinie

Laat de Syriërs zelf de Hollandse IS’ers straffen

De Syriërs mogen niet worden buitengesloten van de berechting van IS-strijders. Lever ook Nederlandse terugkeerders uit aan lokale rechtbanken, betogen Ugur Ümit Üngör en Muhanad Abul Husn.

Foto Thaier al-Sudani / Reuters

Nu het ‘kalifaat’ op instorten staat, staat de vraag centraal wat er met IS-strijders moet gebeuren. Die hebben immers ernstige oorlogsmisdaden gepleegd, inclusief massamoorden en genocide. Maar hoe weten we dat eigenlijk? En welke mogelijkheden zijn er voor rechtspraak? Of voor verzoening? Welke daarvan zijn verstandig om na te streven, en welke niet?

De aanzienlijke taak van rechtspleging tegen IS worstelt met ten minste twee obstakels: forensische bewijsvoering en ethische rechtspleging.

Het presenteren van sluitend bewijs wordt bemoeilijkt door de extreme geheimhouding van IS en de chaos van de Syrische burgeroorlog. Hoe is te bewijzen dat een strijder voor IS vocht en niet voor een andere groep in Syrië? Andere vraag: hoe is goed te bewijzen of een strijder misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden heeft gepleegd? In sommige gevallen zijn er video’s van IS zelf, waarop terreurmisdrijven worden getoond. Het overige bewijs is minder nauwkeurig en werd meestal verzameld door vrij ongekwalificeerde activisten en diende vaak een politieke zaak. Mocht het bewijs wel sluitend zijn, dan is de identiteit van de dader vaak onbekend, met als gevolg dat het vrijwel onmogelijk is om te bepalen wie precies de misdaden heeft begaan.

Er zijn ook ethische problemen met de rechtspleging tegen IS. Veel mensen volgden hun fantasieën en verlieten hun land om zich aan te sluiten bij de magische wereld van IS, zoals het werd gepresenteerd in de propaganda. Sommigen van hen zullen in hun verbazingwekkende naïviteit nooit hebben gedacht dat het volgen van hun fantasieën kon leiden tot zulke ernstige misdaden. Zij raakten verstrikt in een keiharde omgeving, omringd door vijanden en gedwongen om wapens te dragen. Sommigen zijn als ingenieurs en artsen naar Syrië gegaan. Weer anderen wilden juist vechten maar eindigden bijvoorbeeld bij de verkeerspolitie. Wat moeten we doen met deze mensen?

Het demoniseren van IS is moreel wellicht begrijpelijk, maar politiek onverstandig. Het is hypocriet om uitlevering te eisen van Nederlandse pedofielen in Zuidoost-Azië en andere misdadigers, maar IS-terroristen kennelijk zonder vorm van proces in Syrië te vermoorden.

Deze onrechtvaardigheid gaat nog een stap verder. In Syrië strijdt een breed scala aan milities, waaronder Hezbollah en de Koerdische YPG (in essentie de arm van de PKK in Syrië). Zowel Hezbollah als de PKK staat op de Europese lijst van terroristische organisaties, maar wordt veel minder geconfronteerd met hun daden op het slagveld en daarbuiten. De focus op de sunnitische terroristen van IS geeft aan sunnitische gemeenschappen in Syrië, Irak en het hele Midden-Oosten het verkeerde signaal af dat alleen ‘hun’ terroristen als misdadigers worden gezien. Het gevoel van onrechtvaardigheid zal hiermee alleen groeien, en dat voorspelt weinig goeds.

Dat brengt ons tot slot bij de mogelijkheden voor rechtspraak en risico’s op meer onrecht. Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag is geen optie voor Syrië, omdat Rusland een doorverwijzing door de Veiligheidsraad van de VN blokkeert. De rechtsstelsels van Europese landen houden zich vooral bezig met misdaden gepleegd door hun eigen burgers. Maar beide mogelijkheden vergeten dat de primaire slachtoffers van IS de Syriërs zelf zijn.

In steden als Aleppo, Raqqa en Kobani heeft IS een meedogenloos schrikbewind gevoerd waarvan we slechts flarden hebben opgevangen. De Syriërs mogen niet worden buitengesloten van de berechting van misdaden die op hun eigen straten zijn gepleegd. IS-strijders, waar ze ook vandaan komen, inclusief dus Nederlanders of Fransen, zouden moeten worden overgeleverd aan lokale Syrische rechtbanken.

Een bekend Arabisch gezegde luidt: ‘Rechtvaardigheid is het fundament van bestuur.’ Van beide is nog weinig te merken in Syrië.