Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

Gerrie Hondius: ‘Je kunt geen boeken vullen met huwelijksgeluk’

Lunchinterview Gerrie Hondius, van huis uit striptekenaar, ontdekte zandtekenen en treedt daarmee op. „Ik kan in heel korte tijd heel veel presteren en daarna heel lang heel weinig.”

Gerrie Hondius (47) heeft vijf eenden, die in haar tuin wonen. Althans, eigenlijk zijn de eenden van de Lieve Meneer – zo noemt ze haar man. Twee jaar geleden kocht ze ze voor zijn verjaardag, als een cadeau dat hij zéker niet zou raden; ze kan nooit iets voor hem verborgen houden. In het geheim had ze alles geregeld. Vogels. Voer. Vervoer. Twee dagen voordat de eenden kwamen, regende het zo hard dat hun tuin blank stond. De Lieve Meneer keek naar buiten en zei: „Wat is de tuin nat, we kunnen wel eenden nemen.”

Ze moet er zelf ook hard om lachen. Gerrie Hondius praat zachtjes, maar haar stem wordt telkens wat luider als ze voelt dat er in het gesprek iets grappigs aan komt, vaak iets grappigs ten koste van haarzelf, en dan moet ze hard lachen. Ze lacht graag en véél.

Vroeger was Hondius striptekenaar. Ze debuteerde in 1996, op haar 25ste, met de lekker klunzige ‘Ansje Tweedehansje’ in feministisch tijdschrift Opzij, en publiceerde een aantal autobiografische stripboeken over liefdesgeluk en levensproblemen. Ze striptekent nog steeds wel, en ze ontwerpt bijvoorbeeld ook gevelstenen en glas-in-loodramen, maar tegenwoordig is Hondius vooral zandtekenares. In het theater en bij bedrijven vertelt ze verhalen terwijl ze met haar handen in zand op een lichtbak tekent; haar tekeningen en bewegingen worden achter haar geprojecteerd.

Hondius tekende live bij de start van de bouw van de Remise-wijk in Haarlem.

In juni stond ze op Oerol met Varenka, „een verhaal over een arm Russisch vrouwtje”, begeleid door De Haarlemse Viooldiva’s (Suzanne Groot en Maria Eldering) in een veranderend decor van Aart Kramer en Irina Filtzer. Een gelegenheidsgezelschap: de viooldiva’s kende ze uit Haarlem, Aart en Irina kwamen een keer op de Stripdagen aan haar kraampje. Varenka was een succes: de drie voorstellingen per dag waren negen dagen lang uitverkocht.

Het is gebaseerd op een boekje waar ze als kleuter uit is voorgelezen. „Ken je het verhaal? Ik kan het in een minuut vertellen, in de voorstelling vertel ik het in een half uur.” (Ze kan het trouwens ook in elf minuten; een zandvertelling uit 2015 staat op varenka.nl.)

In het kort: Varenka, weduwe, woont in een bos. De oorlog breekt uit. Varenka vangt vluchtelingen op en bidt dagelijks of God een muur om haar huis wil bouwen zodat de soldaten het niet zien. Uiteindelijk valt er sneeuw. „Het duurt best lang voordat het huisje helemaal bedekt is en al die tijd spelen we Vocalise van Rachmaninov.” Treurige vioolmuziek. „Dan denken mensen vaak nog dat iedereen doodgaat. En dan komen de soldaten langs en die hebben het huisje niet gezien.” Huilend publiek, zegt ze tevreden.

Ouderwetsche brief

Maar dat vertelt ze allemaal later; in de zonnige tuin van het Dolhuys in Haarlem gaat het gesprek éérst over de Lieve Meneer, vanaf het moment van bestellen. Ik had al tegen Hondius gezegd wat ik wilde en als de serveerster komt, bestelt ze ook voor mij: „De bietenhumus met mango en geitenkaas, en voor mij de kroketten.” (Ze spreekt het woord ‘kroketten’ iets platter uit om duidelijk te maken dat ze ook wel weet dat het een iets plattere bestelling is dan bietenhumus.)

„Dat neem ik van mijn man over, die bestelt altijd voor mij”, zegt ze als de serveerster weg is. „Daar heb ik erg aan moeten wennen.” Ze lacht hard. „Maar ik gun het hem ook wel. Hij is van nature zo’n heer. Hij houdt zich aan allerlei fatsoensregels waar ik nog nooit van gehoord heb.” Welke dan nog meer? „Nou, hij verzint ze ook, hoor.” Weer die lach.

Ze zijn nu zeven en een half jaar samen, vertelt ze. „Ik heb hier mijn eerste date gehad met de Lieve Meneer. Dat is het antwoord op je vraag waarom ik hier wilde afspreken.” En had zij dit destijds uitgezocht? „Nou, ik denk dat hij had bedacht dat we elkaar in Haarlem zouden ontmoeten, want het is natuurlijk een heer: hij kwam uit Utrecht en hij zou naar het meisje toe komen. En ik dacht: dan doen we iets dichtbij het station.” Lachend: „Ook omdat het de eerste date was.” Kon-ie snel weer weg, indien nodig.

Zij had een contactadvertentie in kranten gezet. „Ik vroeg een man die mij een ouderwetsche brief wilde schrijven om over veertig jaar nog hand in hand mee te wandelen. Een lieve levensgenieter. En dat is-ie gewoon heel erg. Dat had ik alleen eerst nog niet in de gaten.”

Foto Frank Ruiter

Ze lacht. „Het was heel gezellig. Maar ik zag het toch niet gebeuren. Hij was het soort nette meneer met wie ik nog nooit was thuisgekomen. Dus dat heb ik hem meteen gemaild. Ik dacht: zo’n lieve meneer, die moet ik niet aan het lijntje houden. En toen kreeg ik buikpijn en dat hield niet meer op. Trouwens, waar gaat dit gesprek eigenlijk over? Het was een rubriek, je hebt het wel gezegd, maar ik ben het kwijt.”

De boterhammen worden gebracht. „O, wat grappig”, zegt ze als ze mijn bord ziet. „Kijk!” Ze laat op haar telefoon een foto zien van toastjes met bietenhumus, mango en geitenkaas; die zien er precies hetzelfde uit. „Deze hapjes heb ik gisteren gemaakt. Héél lekker. Als ik het maak dan, hè.” Maar goed, er kwam een tweede date, en een derde. „Zullen we verkering nemen, vroeg ik toen.”

Het is wel voor en na de Lieve Meneer hè, in haar leven? „Heel erg ja. Heel erg. Toen ik hem ontmoette was ik net mijn boek Ik ontmoette een man aan het redigeren.” Haar prozadebuut, uit 2010. „Over de mannen tot dan toe in mijn leven: losse kleine ontmoetinkjes, exen, onenightstands en alles. En dat lag in pagina’s uitgespreid op de vloer toen hij langskwam. Die man wandelde op dat moment mijn leven binnen en dat was de man om mee te trouwen. De rest van die mannen kon ik zo” – ze mimet het gebaar – „in de kast zetten. Supergoed getimed allemaal.”

Daarna heeft ze vrijwel geen autobiografische kunst meer gemaakt. Opgewekt: „Je kunt geen boeken vullen met huwelijksgeluk. Dat is hemeltergend irritant.”

Schitterende patronen

Het zandtekenen kwam in diezelfde tijd op haar pad. „Een dikke maand na mijn huwelijk, in 2012, was mijn zandtekendebuut op de Stripdagen in Haarlem. De openingsvoorstelling in de Philharmonie, met een paar honderd collega’s in de zaal.” Ze had zichzelf de techniek in vijf weken geleerd. „Erg weinig hoor, ik was superzenuwachtig.” Bij zandtekenen teken je in feite ‘omgekeerd’, namelijk in diapositief: als je met je vinger een lijn in het zand trekt, wordt die niet zwart maar wit, omdat het licht daar door het zand valt. „Dat vond ik in het begin erg frustrerend.”

Gerrie Hondius tekende het verhaal van Aaltje en Guppie.

Maar het ging goed. Die editie van de Stripdagen ging over Arabische strips; Hondius vertelde en zandtekende een verhaal over een Hollands poldermeisje op de fiets en een Arabische prins in de woestijn. „En dan ontmoeten ze elkaar en wordt zij verliefd op de kameel. The End.

De zandtekentechniek past haar totaal. „Ik was ervoor gevraagd door een producente die er ervaring mee had. Ik heb altijd getekend en altijd theater gemaakt, en opeens bleek er een vorm te zijn waarbij je kon tekenen in het theater! En dan kan ik ook nog verhaaltjes schrijven, en zingen, en ik ken veel leuke mensen die mooie muziek maken… Er waren opeens zó veel mogelijkheden.”

Na anderhalf jaar begon ze voor zichzelf. Ze treedt nu vaak op met concertpianist Martijn Smits. „Die heeft me ook uitgedaagd om niet alleen maar netjes te tekenen. Je kan ook – baf! – met zand kwakken, of abstract improviseren. Dat zand maakt schitterende patronen als je ermee gooit.”

En wat zijn nu haar plannen? „Er is eigenlijk geen nieuw plan. Ik zit nog in een soort… vacuüm klinkt te depressief, maar met een vraagteken boven mijn hoofd, wat zal ik nu weer eens gaan doen.” Ze zouden Varenka nog wel vaker willen spelen. „Maar het is niet rendabel te maken. We zijn met zijn vijven, het duurt een half uur en je zou eigenlijk een decor moeten bouwen voor ieder theater apart. Of zonder decor, dat is een groot verlies maar dat weet niemand, behalve wij.”

Creatieve crisis

Met Oerol hebben ze sowieso amper geld verdiend. Geld verdient ze vooral als ze iets maakt voor bedrijven. „Maatwerkklussen.” Vaak via evenementenbureaus die een zandtekenaar zoeken. „En ik doe ook nog weleens wat stripwerk. En ik wil graag meer zandanimaties maken, vanuit huis, stop-motionfilmpjes waarbij je het zand laat bewegen. Maar dan moet ik ook daar opdrachtgevers voor vinden. Ja, of ik moet het gewoon in mijn vrije tijd gaan doen. Maar dat is eigenlijk met ál mijn werk zo.”

Ze lacht: „Daarom doe ik ook zo weinig. Dat geloof je misschien niet, maar ik kan dagen in de serre zitten, naar de eenden kijken. Ik kan in heel korte tijd heel veel presteren en daarna heel lang heel weinig, zo werkt het ongeveer. En dan denk ik weleens dat ik al die tijd dat ik weinig doe ook zou moeten kunnen pieken, maar zo werkt het blijkbaar niet. Maar mijn man zegt dat dat bij het kunstenaarschap hoort. Waarschijnlijk voelt hij veel beter dan ik aan wanneer ik een creatieve crisis tegemoet ga en hoe lang die ongeveer gaat duren.” Breed lachend: „Terwijl ik dan soms denk: zo erg is het nog nooit geweest, wat moet ik met mijn leven, had ik maar een vak geleerd!”