Recensie

Excuses voor mijn afgerukte ledematen

Meer dan een gezamenlijk optreden was er niet nodig om het werk van de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun en oud-Dichter des Vaderlands Anne Vegter samen te brengen. Hieruit is een bundel voortgekomen: ik hier jij daar. Wat gebeurt er als twee soorten poëzie en twee culturen bijeengebracht worden?

Zeven gedichten van Almadhoun staan in het eerste deel. Alle zijn beklemmend en drukken de westerse consumptiemaatschappij met de neus op de feiten. ‘Wij’ is een aanklacht tegen de beeldvorming van conflicten in het Midden-Oosten in westerse media.

Almadhoun laat de slachtoffers van dat geweld excuses aanbieden voor hun afgerukte ledematen en hun weerzinwekkende uiterlijk. ‘We zijn excuses verschuldigd aan iedereen die zijn avondmaal niet meer door zijn keel kon krijgen nadat hij onverwacht was geconfronteerd met onze verse beelden op de televisie.’

‘Zwarte melk’ is lyrischer van opzet, maar kent dezelfde onvermijdelijkheid:

Ik zal mijn kinderen niet leren bang te zijn voor vreemdelingen want ik ben een van hen Ik zal ze niet zeggen dat ze niet met die vreemde man mogen praten want die man ben ik

Te midden van het puin en het leed maakt Almadhoun met zijn bezwerende en broeierige taal mensen van wie nooit als zodanig beschouwd zijn. In het lange gedicht ‘Schizofrenie’ doet hij dat door niet alleen over het bloedvergieten in Syrië te schrijven, maar dat te koppelen aan de dode akkers rondom Ieper en de rust in zijn woonplaats Stockholm. De enige historische continuïteit is die van het geweld.

Hiertegenover staat Anne Vegters poëzie. Die lijkt na de nietsontziende lessen van Almadhoun frivool en gemoedelijk. Ze beschrijft een vredig Nederland: ‘er worden veel baby’s geboren / er wonen jonge gezinnen / grote sportvelden zijn rondom aangelegd’. Het contrast tussen haar werk en dat van Almadhoun is pijnlijk schril. Zelf benoemt ze het verschil scherp in ‘oorlogsrappen (I)’: ‘iemand noemde vrede een periode // waarin het bij anderen oorlog is’.

Een onontkoombaar gevolg van een duobundel is de vergelijking tussen beide dichters. De een komt er goed vanaf, de ander niet. Dat Vegters werk enigszins tandeloos overkomt, ligt voornamelijk aan de compositie van de bundel: haar poëzie zou beter uit de verf komen als ze tussen de gedichten van Almadhoun geplaatst was. Regels als ‘een kloppend hart is zo gewoon tegenwoordig wie er niet over beschikt stoort / het patroon met de precisie van de wanhoop de geschiedenis van oud zeer’ zouden tussen de niet te negeren zinnen van Almadhoun een groter effect bereiken. Hetzelfde geldt voor het gedicht ‘ondertussen in nederland (III)’. Ook hierin wordt een ‘wij’ opgevoerd: een groep over zee vluchtende Nederlanders, omdat het land in brand staat. Vegter verbindt deze situatie met de vluchtelingenproblematiek. Naast Almadhouns ‘Wij’ zou dit gedicht nog wranger zijn.