Elke dag 300 kilometer fietsen

Ultrafietsen is dagen achter elkaar heel ver, alleen en ook ’s nachts rijden. „Je moet geen tijd verdoen aan flauwekul.”

Deelnemers aan ultraraces slapen vaak langs de weg. Foto James Robertson

Op de tweede dag van de Transcontinental, vorige week zaterdag, dacht Bart Verheijen (37) al aan stoppen. Niet dat het slecht ging. De eerste 390 kilometer van Oudenaarde in België naar Mainz in Duitsland waren volgens plan verlopen. Maar in de loop van die dag hoorden de deelnemers dat deelnemer Frank Simons uit Lochem in de nacht van vrijdag op zaterdag in België door een auto was aangereden en overleden.

Bart Verheijen had in de voorbereiding veel met Simons gefietst en had als debutant veel tips van de veteraan gekregen. Net als een aantal andere deelnemers besloot Verheijen het die dag voor gezien te houden bij Mainz en te bedenken of hij verder wilde – en het antwoord was uiteindelijk ja.

Precies vier maanden eerder was ook de bedenker van de Transcontinental, de Brit Mike Hall, overleden nadat hij tijdens de Indian Pacific Wheel Race in Australië werd aangereden door een auto. De deelnemers aan ultra-afstandraces rijden niet gevaarlijk, ze houden een veel lager tempo aan dan andere wielrenners, maar doordat ze ’s nachts doorrijden en vele kilometers in het gewone verkeer maken, is de kans op een ongeluk statistisch wel hoger.

Adrenaline en dopamine

Toen hij vertelde dat hij de Transcontinental zou gaan rijden, reageerde Verheijens omgeving met een mengeling van ongeloof en ontzag. En er waren mensen die hem voor gek verklaarden. De Transcontinental is een wielrenrace door Europa, waarbij de deelnemers zo snel mogelijk 4.000 kilometer moeten afleggen. Eerdere winnaars deden er zeven tot negen dagen over, waarbij ze meer dan 400 kilometer per dag fietsten. Bart Verheijen wil de tocht in twee weken voltooien – dat is nog steeds ongeveer 300 kilometer per dag. Al zullen er ook dagen van ruim 400 kilometer tussen zitten omdat er op andere dagen hoge bergen beklommen moeten worden of materiaalpech de afgelegde afstand drukt.

Er is geen begeleiding tijdens de Transcontinental. Alle fietsers moeten problemen onderweg zelf oplossen. Ze mogen vooraf geen hulp of overnachtingen regelen. Samen fietsen is verboden. Wel toegestaan is vooraf de route bepalen en alle mogelijke slaapplekken aan die route opzoeken. Daar gaat veel voorbereiding van de 300 deelnemers in zitten. Net als in hun bepakking, die zo licht én zo volledig mogelijk moet zijn. De meeste deelnemers hebben een fiets die met bepakking rond de 15 kilo weegt.

De Transcontinental is een van de vele ultra-afstandraces, ook wel randonneuring genoemd, die de laatste jaren populair zijn geworden. Bij de Brennerpas kruisten fietsers van de Transcontinental dit jaar met de deelnemers van de North Cape 4000, een tocht van Florence naar de Noordkaap. De Transcontinental is met 300 deelnemers (die na loting zijn toegelaten) flink groter dan de 81 deelnemers aan de North Cape 4000.

De Transcontinenal is een race van Geraardsbergen (België) naar Meteora (Griekenland). De route mogen deelnemers zelf bepalen, zolang ze vier punten passeren: Schloss Lichtenstein in Duitsland, de Monte Grappa in Italië, de Hoge Tatra in Slowakije en de Transfagarasan in Roemenië. De route op deze kaart is niet precies de route van Bart Verheijen.

Deelnemers aan ultraraces – ook het aantal deelnemers aan ultraruns neemt al jaren toe – roemen de adrenaline en dopamine die loskomt als ze uren of dagenlang op rustig tempo bewegen. Te midden van vaak prachtige natuur test je jezelf en bereik je een ogenschijnlijk onhaalbaar doel. Niet voor niets vinden velen het verslavend. Bovendien is afstand belangrijker dan snelheid, wat een ultrarace een nieuwe uitdaging maakt voor sporters die door de jaren langzamer zijn gaan bewegen.

Veel deelnemers jagen op brevetten, uitgegeven door de overkoepelende organisatie Audax Club Parisien, die je kunt krijgen voor het voltooien van tochten van 200, 300, 400 en 600 kilometer. Zeer populair is de race Parijs-Brest-Parijs. Deze vroegere profkoers van 1.200 kilometer is nu een hoogtepunt voor de randonneurs. Voor een brevet moeten zij de tocht alleen, zonder hulp, afleggen binnen 90 uur. Het aantal deelnemers voor de vierjaarlijkse race is de laatste jaren toegenomen. In 2015 waren het er 5.870, in 2003 nog 4.069 en bij de eerste editie in 1931 deden er 60 mee. Deelnemers zijn mannen en vrouwen en daarnaast doen er ook zestigers mee.

Een soort retraite

Bart Verheijen is geen sportverslaafde; zijn leven draait niet om de fiets. Hij heeft een vriendin, zijn tweede kind is net geboren en hij heeft een eigen bedrijf. Hij werd tegen zijn verwachting in ingeloot voor deze editie van de Transcontinental en is er toen pas voor gaan trainen. Het is meer een soort retraite dan een midlifecrisis, bezweert hij. Hij weet inmiddels dat als hij rond de 25 kilometer per uur fietst met een hartslag van ongeveer 140 of 145 per minuut, hij dat dagen kan volhouden. De laatste belangrijke test voor de Transcontinental was een rondje vanuit Maastricht half juni; in 23,5 uur reed Verheijen toen 600 kilometer achter elkaar. „Dat ging wel goed”, zegt hij nuchter. „Het is alleen ’s nachts zwaar. We reden door het pikdonkere Maasdal, dan is het moeilijk om wakker te blijven.”

Hij kan „heel goed herstellen op de fiets”, zegt hij. „Ooit reed ik met vrienden de toerversie van Luik-Bastenaken-Luik. Na 180 kilometer kon je mij opvegen omdat ik op alle heuvels het tempo van mijn vrienden had gevolgd. Maar daar herstelde ik van en na 240 kilometer voelde ik me weer prima terwijl mijn vrienden helemaal op waren. Lange afstanden met een normaal tempo, dat ligt me goed. Ik ben vermoeider als ik vijftig kilometer lang intervals ga doen.

Foto James Robertson

„Al op jonge leeftijd namen mijn vader en moeder me mee op lange fietstochten. Dan ging ik als jochie van tien op een fiets zonder versnellingen zo’n tocht van 100 kilometer over de Veluwe rijden.”

Toen Verheijen in november te horen kreeg dat hij was ingeloot, zei zijn vriendin Marieke Smulders gelijk dat hij het moest gaan doen. Ze was toen in verwachting van hun tweede kind. Inmiddels ziet ze wel uit naar het moment dat de race voorbij is. „Maar het scheelt dat het een gezamenlijke beslissing was, het is niet dat hij het heel graag wilde en ik het niks vond.” De voorbereiding heeft aardig wat tijd opgeslokt maar daar vond hij oplossingen voor. „Door de week een uur eerder opstaan om in alle vroegte te fietsen. Af en toe een familiebezoek combineren met een training. Dan vertrek ik een uur eerder op de fiets en gaan zij met de auto, meestal kom ik dan een half uur later aan.” Het waren niet de vele trainingen die thuis soms voor irritatie zorgden, vertelt Marieke Smulders. „Ik vond het lastiger dat hij wel thuis was, maar heel afwezig in zijn fietsbubbel aan tafel met voorbereidingen bezig was, de route of zo, terwijl er twee kinderen aandacht willen. Nu het eenmaal bezig is, volgt ze de rit enthousiast en houdt ze zoveel mogelijk contact.

Bart Verheijen heeft vooraf al wat dingen besloten. Liever kort en niet zo comfortabel slapen (eventueel in zijn slaapzak langs de weg) dan lang slapen in een zacht bed. „Het is veel moeilijker om dan weer op de fiets te stappen. Verder ben ik niet goed in het creëren van problemen, dat doen anderen meestal voor me, ik ben wel goed in het oplossen ervan. Dus materiaalpech zou ik zelf moeten kunnen oplossen. En ik overweeg om ontstekingsremmers mee te nemen die ik vooraf ga slikken om opkomende ontstekingen in de kiem te smoren. Beter dan dat ze opkomen en dat je weken rust moet nemen, want dan is het einde verhaal voor deze race. Onderweg moet ik de afweging maken of ik 20 uur lang 20 kilometer per uur wil rijden of 16 uur 25 kilometer per uur.”

De deelnemers mochten zelf bepalen hoe ze van de start in het Belgische Geraardsbergen naar de finish in Meteora in Griekenland fietsen, zolang ze maar langs de vier meetpunten komen: Schloss Lichtenstein in Duitsland, de Monte Grappa in Italië, de Hoge Tatra in Slowakije en de Transfagarasan in Roemenië. Zijn moeder vond deze race „precies bij mijn karakter passen”, zegt hij. „Het is iets wat je eigenwijs op karakter kunt doen. Je moet lang doorgaan volgens je eigen plan. En je moet geen tijd verdoen aan flauwekul. Ze maakt zich alleen zorgen over gevaarlijke verkeerssituaties.” Als hij Griekenland haalt, wacht zijn gezin hem daar op om vakantie te vieren. „Het eerste wat ik moet doen, is nieuwe kleren kopen, want ik heb geen normale kleren bij me en ik zal waarschijnlijk nog meer zijn afgevallen. En verder ben ik benieuwd hoe ik er dan tegenaan kijk. Van vorige deelnemers heb ik gehoord dat je na deze race nooit meer zoiets doet, of alleen maar meer wil.”