Column

Een pleidooi voor wat meer ironie

Op een sombere maandagavond ontdekte Michel Krielaars de ironie van schrijver en voormalig diplomaat Rik Kuethe.

Afgelopen maandagavond, na afloop van de crematieplechtigheid van de veel te jong gestorven uitgever Jan Mets, snakte ik naar een niemandalletje dat me wat kon opvrolijken. Uit de stapel ongelezen boeken op mijn bureau koos ik daarom Het badpak van mevrouw Bos van Rik Kuethe, dat zich er, afgaande op de titel, uitstekend voor leende. En ja hoor, het eerste verhaal was een Bomans-achtige anekdote over de oude huisknecht van Kuethes deftige grootouders. Daarna volgde een komische noot over de kokkin van zijn Larense ouders en belandde ik bij het doorzichtige badpak van zijn lerares Grieks. Het waren schetsen van een comfortabele wereld vol standsbesef, waarin iedereen tot aan zijn dood lachend en gelukkig door het leven rolt.

Kuethe was jarenlang diplomaat, maar belandde op een gegeven moment in de journalistiek. In beide hoedanigheden ontmoette hij beroemdheden als John le Carré, generaal Franco, koning Juan Carlos, Geert van Oorschot, George Kennan en Alexander Dubcek, die hij in Het badpak interessante, de relativerende uitspraken ontlokt.

De excentrieke ambassadeurs die Kuethe opvoert, lijken vaak zo uit een roman van Graham Greene te zijn gestapt, zo wereldvreemd zijn ze. Een voorbeeld van een wat realistischer diplomaat is zijn oud-collega Carl Barkman, die kort na 1945 in Moskou was gestationeerd. Daar kreeg hij tijdens een lange vergadering van de Opperste Sovjet ineens trek in een sigaret. Maar omdat er in de zaal een rookverbod gold, ging hij naar de foyer, waar hij op Stalin stuitte die er zijn pijpje opstak. En daarover zegt Barkman tegen Kuethe: ‘Hoe verbazend dacht ik, deze man die bijna iedere regel in dit land, vaak gruwelijk, heeft geschonden, houdt zich wel aan het rookverbod.’

Veelzeggend over het vermogen tot crisisbeheersing van het Nederlandse corps diplomatique is het verhaal over de codetelegrammen die Kuethe en zijn collega Jaap de Hoop Scheffer in Den Haag ontvingen van ‘onze man’ in Roemenië, wiens ambassade werd belaagd door vijftig pelikanen, bestemd voor de dierentuin van Timisoara. Toen de vogels de kanselarij binnendrongen en de kousen van de archiefmedewerkster stuk beten, werd de situatie kritiek. Namens de minister antwoordde De Hoop Scheffer: ‘Mij ervan bewust dat pelikanen gang van zaken op de kanselarij ernstig belemmeren. Adviseer vooral hoofd koel te houden. U gemachtigd om archiefmedewerkster mede te delen dat kosten aanschaf nieuw paar kousen uit kleine ambassadekas voldaan kunnen worden.’

Kuethe heeft een goed gevoel voor ironie, waaraan het wereldwijd steeds meer ontbreekt. Terwijl je juist met ironie menig conflict op elegante wijze kunt oplossen. Hij vond dan ook een zielsverwant in de diplomaat Carel Jan Schneider, beter bekend als de schrijver F. Springer. Over hun wederzijdse voorkeur om de wereld met een zekere luchthartigheid te bezien, zei deze meester van het understatement tegen hem: ‘Ik heb de ironie altijd gezien als een onmisbaar technisch hulpmiddel. Het is vaak efficiënter om je verhaal op een licht afstandelijke toon te doen, ook al staat er iets afschuwelijks in’

Zo’n uitspraak zou voor iedereen een wijze les kunnen zijn. Met ironie win je namelijk elke wedstrijd.