Die arme teek heeft last van verlatingsangst

In de zomer trekt de mens naar buiten en treft daar onwelkome andere soorten. Ze zoemen, steken, zuigen. Toch zijn die rotbeesten zo slecht nog niet. Behalve die van vandaag: de teek.

Illustratie Tjarko van der Pol

Wat moet ik nu met jou, teek? Voor je voorgangers kon ik nog wel begrip opbrengen, maar aan jou heb ik eerlijk gezegd een hekel. Je hebt mensen die ik ken doodziek gemaakt; door jou kregen ze de ziekte van Lyme.

En dan kun je wel zeggen dat het je spijt en dat het niet jouw schuld was maar die van de borreliabacterie. Dat je die zelf hebt opgelopen door geïnfecteerd bloed te drinken bij een schaap of een muis. Dat kan best, maar als jij die nare eigenschap niet had om je zo vast te zuigen, zaten wij niet met dit probleem.

Jij hebt het tegenovergestelde van bindingsangst: verlatingsangst. Je hecht je overmatig sterk aan mensen, klampt je aan ze vast. Die opdringerigheid speelt je parten.

Volgens het psychologenhandboek raakt iemand met verlatingsangst buitensporig van streek door een scheiding van belangrijke hechtingsfiguren.

Je beschouwt ons als je bloedverwanten. Na een boswandeling wil je liever met ons mee dan alleen achterblijven tussen de eikenbladeren.

Maar uiteindelijk werkt dat averechts. Mensen kunnen er niet tegen als je ze te dicht op het lijf zit. Je moet leren om jezelf te vermaken. Ga tapdansen, pianospelen, drummen in een rockband. Dat is goed voor je eigenwaarde. En als je dan een uitvoering hebt wil ik je best komen aanmoedigen. Als jij wat meer afstand zou bewaren, zou ik je namelijk een stuk aardiger vinden.

De naaktslak is geen Beach Boy. Eerder een verlichte zenmeester

Maar zoals dit gaat het niet langer. Zodra ik je op mijn lijf vind, spoel ik je onherroepelijk door de wc. En in het riool ben je pas echt alleen. Dat is toch ook niet wat je wilt?