Opinie

De eiercrisis is maar klein, het falen groot

Fipronil vormde geen acuut gevaar voor de volksgezondheid. Door mismanagement escaleerde de crisis, schrijft Dick Groothuis.

Foto: ANP / Lex van Lieshout

Fipronil is niet de eerste calamiteit voor de veehouderij. In 1999 was er de dioxinecrisis waarbij miljoenen kippen geslacht werden en landbouwbedrijven maanden op slot gingen. Vergeleken daarmee is de omvang van ‘finopril’ gering en daardoor veel gemakkelijker te managen. Het tegenovergestelde gebeurde.

Er zijn een paar stappen die bij een calamiteit met een schadelijke stof doorlopen moeten worden om de risico’s vast te stellen. Deze zijn internationaal vastgelegd en rechtstreeks overgenomen in de Europese en Nederlandse wetgeving. De drie stappen van zo’n risico-evaluatie zijn: risico-assessment, risicomanagement en risicocommunicatie. Elk van deze stappen heeft zijn deskundigen en het is vanzelfsprekend dat deze deskundigen zich in hun uitingen bij hun expertise houden.

De opmerking van de inspecteur-generaal om voorlopig helemaal geen eieren meer te eten was niet in overeenstemming met zijn taak als autoriteit.

In een risico-assessment wordt de toxiciteit van de schadelijke stof beoordeeld. Dat moet duidelijk maken op welke wijze en in welke mate blootstelling daaraan effecten bij mensen kunnen veroorzaken. Cruciaal is of deze effecten tijdelijk of blijvend zijn. Daarvoor wordt er getest op dieren. Voor de vertaling van proefdier naar mens wordt een veiligheidsfactor van 100 aangehouden. Als een muis pas een (schadelijk) effect ondervindt bij blootstelling aan 1 gram schadelijke stof, zal deze grens op 0,01 gram liggen voor een mens.

Als we eieren als voorbeeld nemen, wordt hierna gekeken hoeveel eieren iemand eet waar de stof in voorkomt, om dan te berekenen hoeveel in één ei mag zitten om niet boven de vastgestelde veilige inname te komen. Indien de stof ook nog in andere voedingsmiddelen zit, denk aan mayonaise of koekjes, wordt daar rekening mee gehouden. En ook met consumptie die afwijkt van het gemiddelde. De liefhebber van eieren eet er meer.

Uit de toxiciteit en deze maatstaf voor consumptie volgt een getal voor de maximale toelaatbare concentratie in een ei. Er zijn dus twee veiligheidsfactoren, de inname van de stof (met een factor 100) en de hoeveelheid ei die gegeten wordt door de liefhebber.

Nu het risico in kaart is, is stap twee het managen van dit risico. We mogen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verwachten dat ze verstandig reageert en de volgende afwegingen maakt: zijn de maatregelen proportioneel? Zijn ze doeltreffend, effectief en realistisch? We willen van een mug geen olifant maken.

Met name de proportionaliteit is moeilijk in te schatten. Het oordeel daarover is sterk afhankelijk van de positie die men inneemt en de bijbehorende belangen. Zo zijn er stemmen om voorlopig alle eieren van de markt te halen, voor de zekerheid. Dat heeft gevolgen voor de kippenbedrijven, maar ook voor de industrie waarin ei verwerkt wordt. Politiek geeft het een signaal dat het wel heel erg gesteld is, als dergelijke drastische maatregelen genomen moeten worden. De leghennenbedrijven worden ermee in een zeer zwart daglicht gesteld. Maar we mogen van de onafhankelijke en onpartijdige NVWA verwachten zij een afgewogen beslissing neemt.

Profileren

Meerdere partijen kijken dan ook scherp toe op wat de NVWA besluit: bedrijven, consumenten en andere EU-lidstaten. Maar de risico’s zijn het lastigste te managen bij de politiek, ngo’s en belangengroepen.

De bedrijven (althans de meeste) en de consumenten hebben namelijk hetzelfde doel: veilig voedsel. Meestal komt het wel goed tussen deze twee partijen. De bedrijven willen hun vergunning houden en consumenten willen niet ziek worden van voedsel. De belangrijkste factor is vertrouwen.

EU-lidstaten zijn eenduidig: alle producten uit Nederland die niet voldoen aan de regelgeving willen zij niet. Ze vertrouwen de NVWA zolang ze vertrouwen hebben in de maatregelen die getroffen worden.

Politiek en ngo’s zijn lastiger. Omdat deze leven van stemming maken en feiten selectief gebruiken of zelfs volledig aan de kant schuiven. De woordvoerder van FoodWatch in het NOS Journaal van woensdag 2 augustus is daar een sprekend voorbeeld van. Hij vertelde dat alle eieren uit de schappen gehaald moeten worden, negerend dat zo’n 180 bedrijven verdacht waren en de overige niet. Ook de politiek wil vaak laten zien dat zij instaat voor het belang van de burger. Deze partijen zijn niet tevreden te stellen. Zij hebben belangen die niets met de situatie te maken hebben, maar gebruiken die alleen om zich te profileren. Hier moet de NVWA boven staan.

Als laatste stap is er de risico-communicatie: wat en hoe vertel ik aan de bevolking en andere belanghebbenden? Daar ging de risico-communicatie van de NVWA vooral de mist in: een inspecteur-generaal moet berichtgeving overlaten aan de medewerkers die hij daarvoor in dienst heeft. Maar in plaats daarvan heeft hij zich gedragen als politicus in de Tweede Kamer.

In de calamiteit met fipronil is een toxicologische evaluatie verricht en de conclusie daarvan is dat de risico’s niet alarmerend zijn. Daardoor zijn de risico’s voor de volksgezondheid afwezig dan wel minimaal. De opmerking van de inspecteur-generaal om voorlopig helemaal geen eieren meer te eten was niet in overeenstemming met zijn taak als autoriteit. Maatregelen moeten proportioneel zijn.

De inspecteur-generaal van de NVWA heeft blijk gegeven dat hij geen verstand heeft van risicomanagement, wat juist de taak van de NVWA is in dergelijke omstandigheden. Advies: laat een medewerker die daar wel bedreven in is de berichtgeving doen. De NVWA heeft er een hele afdeling voor.