Anticorruptie als strijd tegen de globalisering

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa

Deze zomer zijn er in Europa weer prominente koppen gerold. De Europese Volkspartij royeerde Pedro Agramunt, voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, wegens onethisch gedrag. Hij zou zich, onder andere, door dictators hebben laten fêteren en erover hebben gelogen. Agramunt is zijn bevoegdheden kwijt. Zijn aftreden lijkt een kwestie van tijd. In Frankrijk traden vier ministers in juni, kort na hun benoeming, al weer af. Ook hun wordt immoreel gedrag verweten. In Brussel struikelde de burgemeester over betaalde bijbanen. In Roemenië moest de premier aftreden omdat hij corruptie onder bepaalde bedragen uit het wetboek wilde halen.

In veel landen lijkt de strijd tegen de corruptie dé manier geworden om te vechten voor politieke vernieuwing. Meer dan ooit worden politici en bestuurders langs de morele meetlat gelegd. De Franse presidentskandidaat François Fillon, die als parlementslid familieleden op de loonlijst had staan en giften aannam van vrienden die gunsten verwachtten, kwam hier jaren mee weg. Velen deden wat Fillon deed.

Volgens de Duitse socioloog Georg Simmel was de belangrijkste ongeschreven regel in 1908: „Men onthoudt zich van elke kennis over datgene wat de ander niet onthult”. Het „geheim van de ander”, daar kwam je niet aan. Nu, in het tijdperk van sociale media en WikiLeaks, is die grens vrijwel verdwenen. Politici en bestuurders worden keihard op transparantie afgerekend. In 2014 vond 76 procent van de Europeanen dat er te veel corruptie was. Op de vraag van Le Monde of de meeste politici corrupt zijn, zei 69 procent van de ondervraagden eind juni 2017 ja. Die score was trouwens beter dan in 2016 – een Macron-effect?

De moralisatie van de politiek begon in de jaren zeventig, na de studentenrevoluties van ’68. In 1976 was er de Lockheed-affaire, die de Nederlandse monarchie in gevaar bracht en de Italiaanse president tot aftreden dwong. In Frankrijk vroegen burgers inzage in de overheidsfinanciën. Politiek was toen nationaal. Maar met de globalisering kregen internationale organisaties langzaam meer gewicht. Europese landen tekenden in de jaren negentig conventies over transparantie en accountability bij de VN, OESO, Wereldbank en EU. In 1999 trad de Europese Commissie af na de affaire-Cresson. Ontwikkelingshulp en leningen aan derdewereldlanden werden gekoppeld aan good governance. Controleorganen als Transparency International werden opgericht.

De globalisering versterkt de strijd tegen de corruptie: het maakt burgers ontevreden over het functioneren van de democratie. Belangrijke beslissingen over banken of de euro worden niet meer nationaal genomen, maar ergens ver weg: in de eurogroep, G20 of op Wall Street. Anticorruptie helpt burgers wat macht terug te claimen. Elk bonnetje, elke afspraak met lobbyisten – onontbeerlijk voor wettenmakers – is bij voorbaat verdacht. De val van de Muur heeft deze ontwikkeling wellicht versterkt: hét onderscheid tussen het Westen en de rest is niet langer anticommunisme, maar deugdzaam bestuur en transparantie. Het doordesemt de hele politiek.

In Slowakije organiseren twee achttienjarigen al maanden demonstraties tegen de regering. In de Slowaakse politiek, constateerde een hunner, „is er geen plek voor mensen die dingen willen veranderen, alleen voor mensen die willen stelen.” Frankrijk heeft tegenwoordig een hoogleraar anticorruptie, Frédéric Monier. Hij adviseert toekomstige politici en bestuurders om van onbesproken gedrag te zijn. Anders, zegt hij, overleven ze niet. Het morele appèl kan weleens, juist omdat het is gelieerd aan grote sociale verschuivingen, het machtigste politieke wapen zijn van deze tijd.