Recensie

Wonderlijke waantaal

Parafasie

Als hun brein hapert, kunnen mensen soms niet meer de juiste woorden vinden. Ze maken vreemde, soms wondermooie zinnen.

Een raadselachtige zin van Nico met een impressie van Jan Stroeve.

Mensen met hersenletsel of dementie kunnen soms onbedoeld zeer poëtische zinnen produceren. In het boekje Zo tollig en zwarrig - Waantaal van Nico heeft Elseline Knuttel, in het dagelijks leven uitgeefster van kinderboeken, de mooiste zinnen opgetekend die haar geliefde, Nico, uitsprak in de laatste twee jaar van zijn leven. Hij was toen al ver in de negentig en kreeg last van een haperend brein.

Toen hij ziek werd, zei hij daarover: „Het wordt een tammende weg, met fijn en schik en zolf.” Op een compliment reageerde hij met: „Nou ga ik naast mijn sneup staan”. En in de laatste dagen van zijn leven zei hij: „Schiet op! Ik wil wegwaaien, wegvloeien!” En: „Schuur het vuur naar m’n uur!”

Dertig van die wonderlijke en raadselachtige zinnen zijn door kunstenaar Jan Stroeve geïllustreerd met prachtige, poëtische, magisch-realistisch aandoende tekeningen, waarin Stroeve laat zien wat híj zich voorstelt bij een vrouw die ‘luift’, ‘een stukje koud kloop’ en de ‘smuizeligheid’ en ‘seriditeit’ van een kusje.

In het boekje wordt bewust niet uitgelegd wat er precies mis ging in de hersenen van Nico. Knuttel schrijft in haar nawoord: „Ik heb Nico’s taal niet in een medisch perspectief willen plaatsen.” Ze hoopt dat de lezer „zich kan verwonderen over de schoonheid ervan.”

Toch zal menig lezer zich afvragen: wat gaat er mis in deze zinnen?

Nico produceert zogeheten parafasieën. Hij zoekt naar woorden en klanken en komt daarbij heel vaak uit bij de verkeerde woorden en klanken. Je kunt het ook zo zeggen: hij verspreekt zich voortdurend, vaak meerdere malen binnen één zin.

‘Dan zijn de gapen raar’

We verspreken ons allemaal wel eens. Wat we daadwerkelijk zeggen wordt altijd voorafgegaan door een serie automatische processen, die zich razendsnel en geheel buiten ons bewustzijn voltrekken: het brein begint bij een gedachte, gaat van daaruit naar woorden, en vanuit die woorden naar articulatie-eenheden (het uitspreken van klanken) en dat gaat allemaal zo snel, dat er af en toe iets mis kan gaan. Dan zeg je per ongeluk „Dan zijn de gapen raar”, in plaats van „Dan zijn de rapen gaar”. Of iemand zegt ‘teleur eh terreuralarm’ of ‘hardnukkige eh hardnekkige geruchten’.

Mensen die zich verspreken, verbeteren zichzelf vaak. In 60 procent van de gevallen. Of Nico zichzelf ook nog wel eens verbeterde toen hij al die parafasieën produceerde, wordt in het boekje niet vermeld. Het kan zijn dat ook het vermogen om zichzelf te verbeteren door het hersenletsel was aangetast. In dat geval hoort de patiënt niet meer wat hij zegt. Wat ook kan, is dat het aantal versprekingen zo groot is dat er eenvoudigweg geen beginnen aan is om dat allemaal te corrigeren. Het kan zelfs gebeuren dat ook de correcties gecorrigeerd moeten worden: ‘amstelbam eh amsterbam eh amsterdam’.

Van sommige uitlatingen van Nico is nog wel te achterhalen wat hij er waarschijnlijk mee bedoelde. „Je moet gezond eten: pijpels en uppels.” Dat zouden ‘peren en appels’ kunnen zijn. Als hij, bij het zien van een foto, zegt „Hier staat een patriet, een kamatriet, de laatste oorlogsjaren”, dan kun je vermoeden dat hij de woorden ‘patriot’ en ‘kameraad’ bedoelt.

Mooi is ook zijn uitspraak „Als ik zwijg kan ik lempen”. Zou ‘lempen’ een ingewikkelde verspreking kunnen zijn van ‘denken’? Dat zou bijna jammer zijn. Als ‘lempen’ iets raadselachtigs betekent, maakt dat de zin natuurlijk veel intrigerender. In feite zijn de zinnen waar je helemaal geen chocola van kunt maken de aardigste: „Lukjes en slaapjes en doodjes. Je vindt er van alles!”

Het is natuurlijk tragisch dat zo iemand van alles wil zeggen, maar dat er tussen de gedachte en de uiteindelijke zin zoveel misgaat dat het onbegrijpelijk wordt, misschien zelfs voor de patiënt zelf ook.

De andere zijde van de medaille is: dat je je bij het zien van deze ‘waantaal’ realiseert dat het een klein wonder is dat dit bij gezonde mensen bijna altijd goed gaat.

Knuttel omschrijft Nico als een man die, toen hij hier nog geen last van had, heel bloemrijk kon zijn in zijn formuleringen. Ze geeft als voorbeeld: „Maak je geen zorgen over mij. Onkruid komt bij verwaarlozing prachtig tot bloei!”

Pee Pastinakel

Ook zijn parafasieën zijn bloemrijk. Ze lijken soms op het taalgebruik van de stripfiguren van Marten Toonder, schrijft neerlandicus Klaas Driebergen in een kort essay dat aan het boekje is toegevoegd.

De dwerg Pee Pastinakel praat inderdaad een beetje zoals Nico, hij zegt dingen als: „Hij is zo lodig”, „Ik heb er niets dan sinsen van gehad” en „Hier wordt de natuur naar de verturving geholpen”.

Olie B. Bommel zelf kan soms ook bloemrijk-onbegrijpelijk uit de hoek komen: „Al die torten en misten en kwijzels van jou hebben er niets mee te maken!”

Het leuke van al die fantasiewoorden van Marten Toonder en al die versprekingen van Nico, is dat het heel duidelijk Nederlandse niet-bestaande woorden zijn. Een Spaans- of Chineestalige zou die klankcombinaties niet kunnen verzinnen.

Het Nederlands van Nico is nauwelijks te begrijpen, maar het blijft: Nederlands. Bloemrijk Nederlands.