Interview

Wees een keer Tuğçe

Moslima’s

Zeventien van Het Zuidelijk Toneel is een voorstelling van en over moslimmeiden. Een gesprek met regisseur Eva Line de Boer en twee spelers: „Je moet niet naar me kijken en alleen maar denken: ‘o, een moslima’.”

In het stadspark van Breda scharrelen kippen door de struiken. Alsof het een schoolplaat van Cornelis Jetses is, komt er een oud vrouwtje aangeschuifeld, dat ze begint te voeren. „Zo’n kip had ik moeten hebben voor mijn scène”, zegt Ayisha Siddiqi (26), terwijl ze in haar jaszakken graaft, „zo’n kleintje”. Tugçe Yavuz (18) knikt heftig. Uit haar jas duikt Siddiqi een pakje Camel Light op, dat ze op de terrastafel gooit. Eigenlijk rookt ze alleen nog shisha-pen, maar het is stressen in het derde jaar van de Toneelacademie Maastricht. „En dan wil je toch vieze normale sigaretten.”

Yavuz en Siddiqi spelen in Zeventien van Het Zuidelijk Toneel, een voorstelling van regisseur Eva Line de Boer en vijf jonge moslima’s, behalve Siddiqi geen professionele acteurs. De titel van de voorstelling was vastgesteld voordat de repetities begonnen, maar werd al snel ‘omarmd’. De Boer: „Als zeventienjarige ben je geen meisje meer, maar ook nog geen vrouw. Het is de ultieme tussenfase. Omdat Zeventien een persoonlijk portret van de meiden is, waren de repetities best ingewikkeld.”

Wat maakt de ervaring van een 17-jarige moslima anders?

Yavuz: „Als ik met mijn Nederlandse vriendinnen praat, moet ik mezelf constant uitleggen en soms maken ze nare opmerkingen. Onbewust – dat weet ik zeker, want ze praten er makkelijk weer overheen. Maar ze doen het wel.” De Boer: „Dat is een soort onbewuste discriminatie. Misschien is het, om te beginnen, wel het beste om toe te geven dat we daar allemaal schuldig aan zijn.” Yavuz: „Tegelijkertijd heb ik deze situatie zelf gecreëerd, denk ik. Als er een aanslag is geweest, geef ik mensen op school de ruimte om nare woorden te zeggen. Dan ga ik geen ruzie maken of discussies voeren. Ik laat het ze zeggen, want ze zijn bang en ze vinden het vervelend dat onschuldige mensen lijden. Soms ga ik er zelfs in mee.”

Waarom doe je dat?

Yavuz: „Omdat ik ze begrijp. Dat probeer ik tenminste, maar dat begrip krijg ik niet altijd terug en nu begint dat een grens over te gaan. Hoe meer ruimte ik geef, hoe minder ruimte ik zelf overhoud. Tot ik…” Ze doet alsof ze stikt.

Yavuz richt zich in de voorstelling tot popster Ariana Grande. In mei werd bij een van haar concerten een zelfmoordaanslag gepleegd, die IS opeiste. Op Twitter werd toen de hashtag #ItsnotyourfaultAriana populair. Yavuz zoekt naar overeenkomsten met Grande. De Boer: „Ze vraagt zich af of ze ook een hashtag kan krijgen, #vandaagbeniktugçe. Voor alle moeite die ze doet om anderen te begrijpen.”

In de ondertitel van de voorstelling staat ‘moslim’ tussen haakjes, maar eigenlijk zouden er een heleboel dingen tussen haakjes kunnen staan.

In Zeventien presenteren de meiden zich aan het publiek in een soort vitrines die ze zelf konden inrichten. In Siddiqi’s exemplaar scharrelt een kip, waarmee ze hele gesprekken voert. Eigenlijk was een haan logischer geweest, „maar dat kon niet, want een haan is een agressief beest”. Dus moet het publiek haar kip maar even als haan zien.

Waarom is die scène zo belangrijk?

De Boer: „ Zeventien is een pleidooi om niet één ding te hoeven zijn. Het ene mag naast het andere bestaan. Als ideaalbeeld beschrijft Ayisha een kuise Bollywood-actrice, maar ze wil ook een stoere vrouw met een naveltruitje zijn. Zulke tegenstellingen vieren we in deze voorstelling.”

Siddiqi: „Ik heb een hoofddoek gedragen én rook sigaretten. Ik dacht dat dat allebei kon, tot een jongen tegen me zei dat ik dat buitenshuis niet moest doen. Blijkbaar is het een taboe. Dat vond ik jammer, want ik zie een hoofddoek ook als een sieraad.” Yavuz: „Op sociale media zie ik wel eens een vrouw met een hoofddoek en een kort rokje. Dan gaan bij mij de alarmbellen af. Toen we het erover hadden bij repetities en ik het hele verhaal hoorde, dacht ik: eigenlijk hebben ze gelijk. Iedereen creëert zijn eigen geloof. Maar ik zou toch schrikken als ik het op straat zou zien.”

Een voorstelling vol gevoelige onderwerpen en discussies dus. Waarom wilden jullie toch meespelen?

Yavuz: „Op school ben ik de enige moslim; ik heb alleen maar Nederlanders om me heen. Dat vind ik nooit vervelend, tot de dag na een aanslag. Dan word ík aangekeken en vuren ze allemaal reacties op mij af. Ik wil dat mensen zien dat ik er net zo buiten sta als zij.”

Siddiqi: „Toen ik besloot mee te doen aan deze voorstelling, dacht ik: dit is belangrijk. Mensen moeten moslims zien, want iedereen denkt alleen maar slecht over ons. Maar op een gegeven moment besefte ik: nu ben ik weer vooral ‘een moslim’. Joh, kom op! Het is een dingetje in mij, ik ben dat niet alléén!”

Zouden we dat weg moeten laten? Gewoon ‘meiden’ in plaats van ‘moslimmeiden’?

Siddiqi: „Heel graag!” De Boer: „In de ondertitel van de voorstelling staat ‘moslim’ tussen haakjes, maar eigenlijk zouden er een heleboel dingen tussen haakjes kunnen staan. Ik vind het belangrijk om de gevoeligheden van dit onderwerp niet uit de weg te gaan. Ik vind het ook ingewikkeld en maak de hele tijd fouten. Soms ben ik te voorzichtig, soms juist te kort door de bocht of stel ik naïeve vragen. Maar we moeten blijven praten, zodat mensen hun blik meer openzetten.”

Yavuz: „In de voorstelling vraag ik letterlijk aan het publiek: verplaats je in mij, wees een keer Tuğçe.” Siddiqi: „Zeker in deze tijd is het heel belangrijk om elkaar te leren kennen. Je moet niet naar me kijken en alleen maar denken: ‘o, een moslima’. Daar gaat deze voorstelling over. Ik wil dat mensen ons écht zien.”