Column

Troostuitputting

Ellen

Mijn vriendin M. verbrak twee maanden geleden haar relatie en tussen de hysterische huilbuien door gaat het prima: ze kan lachen, ze kan werken, ze heeft een nieuwe woning die ze kan inrichten. Iedere week houdt ze ter troost een vreetavond. Dan sta ik op de stoep met een tas vol stroopwafels, winegums, ovenhapjes, chips en gaat ze los. Uit solidariteit eet ik dan ook maar een bak roomijs en wat pizza’s mee.

„Het is symbolisch”, zei ze dit weekend tussen twee scheppen krijtdrop in, „ik probeer het gat te dichten dat in me zit.” Ze voelt zich na zo’n avond troostschransen zo slecht over zichzelf dat ze weer even kan vergeten dat ze haar hele leven heeft omgegooid. Ze vervangt het ene verdriet met het andere en houdt zo de dagen vol.

Het is opmerkelijk wat voor soorten troost er tegenwoordig in de mode zijn: mijn zus gaat keihard sporten. Hoe slechter het met haar gaat, hoe fitter ze is. Mijn beste vriend leest zich bij sipte een ongeluk. Als hij totaal bij is qua hedendaagse literatuur, weet ik dat hij er zware weken op heeft zitten.

Om me heen is de meest voorkomende troost gewoon keihard werken. Toen ik vorig jaar in een relatiecrisis zat, nam ik extra opdrachten aan. Niet alleen brachten de afspraken regelmaat in een tijd waarin de rest van mijn bestaan van iedere structuur leek te zijn ontdaan, maar ook was het geweldig om niet bij mezelf te hoeven stilstaan, simpelweg bij de klussen die moesten worden geklaard. Niet positief denken, maar positief doen. Mijn kennissen in echtscheiding zitten tot in de late uren op kantoor, bevriende journalisten reizen naar de andere kant van de wereld omdat hun huis geen thuis meer is, een neef verwerkte de dood van zijn vader door een nieuw bedrijf op te zetten. We putten ons uit tot we geen puf meer hebben voor tranen.

Natuurlijk, eens komt de klap, je kunt niet om verdriet heen, je moet erdoorheen, etcetera, maar ondertussen worden er bakken met geld verdiend aan het ontwijken van ons leven. En harkt de Belastingdienst daar weer een gezellig percentage van binnen. Maar wat maakt het ook uit: je verdient geld, hebt afleiding en stut ook nog eens de economie. Zo worden er kapitaal, pensioen en een nationale spaarpot opgebouwd, op zoek naar het einde van het lijden. We werken liever aan iets anders dan aan onszelf. En zo leven we in een land dat drijvende wordt gehouden door een streven naar verlichting. De samenleving dankt een fundament aan de gaten van haar inwoners.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.