Het groeiwonder van Europa in vijf clichés

Duitse economie

Het kán niet op voor de Duitse economie. Het vertrouwen van ondernemers staat op recordhoogte. Maar hoe goed doet Duitsland het werkelijk? Een paar gemeenplaatsen mét kanttekeningen.

Foto Wikimedia Commons/CC BY 2.5

Een „conjunctuurhemel”. „Euforie op de directievloeren”. Duitsland „vol op stoom”. Het is een greep uit de Duitse krantenkoppen naar aanleiding van de vertrouwensindex van het gezaghebbende economische instituut IFO over de maand juli, vorige week.

Die indicator, gebaseerd op een enquête onder grote bedrijven, steeg tot 116 punten, het derde record op rij. Niet eerder sinds de Duitse eenwording waren Duitse ondernemingen zó optimistisch. De IFO-indicator is een aardige voorspeller gebleken van de daadwerkelijke groei. Een waarde van 116 duidt op een economische groei van rond de vier procent in 2017.

Dat is wel heel hoog. De meeste beroepsvoorspellers zijn veel voorzichtiger over de Duitse economie. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaat bijvoorbeeld in zijn juli-raming uit van 1,6 procent groei dit jaar en de ‘deskundigenraad’ die de Duitse regering adviseert, voorziet 1,7 procent.

Hoe goed doet de Duitse economie, al jaren de groeimotor van Europa, het nu eigenlijk? En waar komt die groei vandaan? Zeker voor Nederland zijn dat belangrijke vragen. Nederland verdiende in 2015 42,2 miljard euro aan de export naar Duitsland, ofwel ruim zes procent van het Nederlandse bbp.

Over de Duitse economie doen de nodige misverstanden de ronde, of liever clichés, waar soms wel een kern van waarheid in zit, maar die op zijn minst de nodige nuancering behoeven.

  1. Duitsland groeit sneller dan de rest van Europa

    Dat was de voorbije jaren zeker het geval, maar sinds kort niet meer. Het grootste verschil met de rest van de eurozone zat in de jaren 2008-2013, schrijft ING-econoom Carsten Brzeski in een notitie over de Duitse economie. In die periode bleef de Duitse economie groeien, terwijl die van de rest van de eurozone kromp. De Duitse economie had, anders dan bijvoorbeeld de Nederlandse of de Spaanse, geen last van zeepbellen op de huizenmarkt. En een reeks grote stimuleringspakketten (in 2009 bijvoorbeeld een van 50 miljard) gaven de economie een zet. Sinds 2014 groeit de hele eurozone weer, maar Duitsland bleef bovengemiddeld presteren. De laatste vier tot vijf kwartalen springt de Duitse groei er niet meer uit, mede door de betere prestaties van landen als Spanje en Frankrijk. Het IMF verwacht dat de eurozone als geheel (1,9 procent groei) het dit jaar iets beter zal doen dan Duitsland (1,8).

  2. De Duitse groei komt door export

    Wie aan het Duitse Wirtschaftswunder denkt, denkt aan Mercedessen en aan machines die de wereld overgaan. Export is inderdaad belangrijk voor Duitsland: het bruto binnenlands product bestaat voor ongeveer 8 procent uit inkomsten uit netto-export (export minus import). Maar sinds 2012 groeit die export amper meer. De bbp-groei komt bijna volledig door binnenlandse vraag. Vorig jaar droeg de netto-export zelfs negatief bij aan de groei, zo blijkt uit cijfers van het Duitse statistische bureau. Die extra binnenlandse vraag wordt zowel door burgers als door de overheid gegenereerd, zegt Brzeski aan de telefoon. „De lonen zijn de afgelopen jaren met zo’n 2 procent per jaar gestegen, wat goed is voor de consumptie. Er is nu een grote bouw-boom”. Net als in Nederland stijgen de huizenprijzen snel, door de lage rente en door vraag naar appartementen in grote steden. De Duitse overheid gaf in de jaren 2015-2016 vooral meer geld uit aan de opvang van vluchtelingen, wat ook extra activiteit opleverde.

  3. Duitsland groeit door eerdere economische hervormingen

    De Duitse boodschap aan Zuid-Europese landen is vaak: jullie moeten hervormen, zoals wij dat eerder deden, onder bondskanselier Schröder (1998-2005). Tot die tijd gold Duitsland nog als de ‘zieke man van Europa’, een stroperige economie met werkloosheid van 10 procent. Schröders hervormingen, onder meer het verlagen van uitkeringen en het stimuleren van flexibel werk, leidden per saldo tot loonmatiging, waardoor de Duitse exportmachine concurrerender werd. En waardoor de werkloosheid (nu 3,8 procent) kon dalen. Maar volgens een recente studie van Christian Odendahl, econoom bij denktank Centre for European Reform, begon die loonmatiging al voordat Schröder aantrad. Het besluit hiertoe namen bedrijven en vakbonden zelf, onder druk van de globalisering en de EU-uitbreiding. Zo bezien heeft vooral het Duitse ‘poldermodel’ en niet (alleen) de politiek het latere succes bepaald.

  4. Duitsland lijdt onder het beleid van de Europese Centrale Bank

    Als je afgaat op alle kritiek in Duitsland op de ECB, zijn vooral de Duitsers het slachtoffer van het lagerentebeleid van de centrale bank. Duitse spaarders, onder meer gepensioneerden die (deels) leven van hun spaargeld, krijgen nauwelijks of geen rendement meer. Maar tegelijk profiteert de Duitse economie, net als die van andere eurolanden, van het ECB-beleid. Door overvloedig geld in de financiële markten te pompen, drukt ECB de koers van de euro. Zo krijgen de Duitsers ditmaal ‘gratis’ wat ze eerder met loonmatiging bevochten: goede exportvoorwaarden.

    Beleggers rekenen erop dat de ECB vanaf 2018 minder leningen zal opkopen. Maar afkicken van dit medicijn zal lastig worden. Lees ook: Draghi heeft de geest uit de fles gelaten

    De Duitse staat kan door de lage rente ook goedkoper lenen. De federale, regionale en lokale overheden samen bespaarden zo de afgelopen tien jaar 240 miljard euro, zo berekende de Duitse Bundesbank laatst. En de huizenmarkt profiteert van de lage hypotheekrente, die weer een uitvloeisel van het lage ECB-tarief is.

  5. De Duitse economie is onverwoestbaar

    Het lijkt soms wel of niets de Duitse economie echt kan raken. Het emissieschandaal van 2015? Volkswagen maakte een jaar later gewoon weer winst. De vluchtelingencrisis? Die stimuleerde dus de binnenlandse vraag. Sancties tegen Rusland? Genoeg andere exportbestemmingen.

    Toch gaan er nu wel dingen fout, zeggen sommige economen. Het dieselschandaal, met de verdenking van een groot kartel van Duitse autobouwers, duidt op diepere problemen, zegt Marcel Fratzscher, directeur van onderzoeksinstituut DIW in de krant Die Welt. De Duitse industrie houdt te lang vast aan oude technologie, terwijl de wereld daarvan af wil. „Duitsland heeft het hoogtepunt van zijn economisch kunnen nu bereikt, en is er misschien al overheen.” Ook Brzeski bespeurt een zekere zelfgenoegzaamheid bij ondernemers. „Je hoort sceptische geluiden over technologische verandering. Zo van: wij zijn altijd doorgegaan met waar we mee bezig waren en dat ging altijd goed. Het is de vraag of deze instelling nog wel de juiste is.”