Recensie

Een bioloog als onmens

Zijn nieuwe boek is een ideeënroman waarin het denken van Nietzsche botst met dat van Schopenhauer. Een twistpunt tussen beide hoofdpersonen is het begrip ‘medelijden’.

Foto Annaleen Louwes

Je staat er niet vaak bij stil, maar het is het lot van verhalend proza dat het in zijn volledigheid wordt beoordeeld. Natuurlijk, de schrijver mag in de tekst wel een keer onderuit glibberen, maar zoiets als een prijs voor het beste hoofdstuk is er niet. En uit een gedicht of een liedtekst citeren we geregeld een enkele gevleugelde zin, maar bij romans gebeurt dat veel minder vaak. Een roman, novelle of verhaal is een monoliet: ontbreekt er een vinger aan het prachtige standbeeld, dan zie je vooral die ontbrekende vinger.

Eigenlijk is dat zonde. Zo begon ik almaar zuiniger over Jan Vantoortelbooms De drager te denken, nadat ik geestelijk eerst volledig was ingesnoerd door het openingshoofdstuk. Oké, dat hoofdstuk deed wel verdraaid veel denken aan de begintaferelen van Elvis Peeters’ dierenroman Jacht, maar toch, de verdichting die Vantoortelboom tot stand wist te brengen met de weergave van een gevecht tussen een man en een hert was uiterst hoog. Niet alleen zat ik er middenin, maar ik dacht ook onmiddellijk te weten uit welk hout die vechtende, en uiteindelijk dodende Bruno was gesneden. Hoe hij zich verhield tot dat wat wij doorgaans ‘de natuur’ noemen: als een bruut. Als iemand die een in de woonkamer verdwaalde wesp liever doodslaat dan hem te vangen en los te laten in de tuin.

Volbloeddrama

Vantoortelboom (1975) heeft een grote aanleg voor het schrijven van zulk soort beklijvende scènes. Die waren hier en daar al te lezen in zijn debuut De verzonken jongen, en nog vaker kwam je die tegen in opvolger Meester Mitraillette, de roman uit 2014 die terecht met een groot lezerspubliek werd beloond. In het twee jaar geleden verschenen De man die haast had kon je echter al merken dat Vantoortelboom zijn oude huid aan het afstropen was. Nu maar eens geen volbloeddrama meer, geschreven in sappig Vlaams, maar een zakelijk geschreven novelle die veel thematischer van aard was.

Vantoortelboom zet hier opnieuw op in. Zijn personages staan eerder voor een filosofie dan dat ze van vlees en bloed worden. Bruno is de hardliner die uitgroeit tot een bioloog met tamelijk hoogdravende en mensonvriendelijke theorieën, terwijl zijn vriend Nicolas, een IT’er, de meer harmonieuze kant van de mens belichaamt.

Met een beetje duidingsvrijheid zie je het duo al snel als een Nietzsche aan (Bruno) en iemand uit de school van Schopenhauer, helemaal als de term ‘medelijden’ (een belangrijk twistpunt tussen de twee filosofen) valt. Die verschillende standpunten die Bruno en Nicolas er op nahouden, maken hun dramatische geloofwaardigheid er echter niet groter op. Je kunt je al moeilijk voorstellen dat die twee met elkaar door een deur kunnen, Bruno kleineert Nicolas dusdanig dat het amper voorstelbaar is dat iemand al zo lang trouw is gebleven aan zo’n eikel. De lijm moet misschien gezocht worden in de zoon van Bruno, die met een handicap is geboren. Nicolas ontfermt zich op afstand over de jongen en vult zo voor een deel de rol in van Bruno, die zelf immers een afkeer heeft van al te veel compassie met de biologisch zwakkeren.

Ik weet het niet met Vantoortelbooms beslissing om op te schuiven van het psychologische drama naar de ideeënroman. Je loopt in De drager toch wel erg vaak tegen handelingen aan die nogal gezocht overkomen en daarnaast stilistisch behoorlijk taai geschreven zijn. Ik hoop dat hij in de toekomst De Mens weer weet te vinden en zo de mens te bewegen.