Column

Stewardess

Marcel

Tijdens de vlucht van vakantie naar huis verkeerde ik enige tijd met de oudste dochter (2) tussen het KLM-personeel. De vriendin, die de baby op zich moest dulden, en ik hadden met andere passagiers van plaats geruild zodat we ieder met een kind op schoot naast elkaar konden zitten.

De rossige steward die dit tijdens het taxiën ontdekte, panikeerde.

Het was streng verboden.

„Weet je wel wat er gebeurt bij een ongeluk?” vroeg hij naar de bekende weg. Het antwoord dat hij zelf gaf viel me mee: „Dan komen er te weinig zuurstofmaskers naar beneden.”

Ik had het nog nooit meegemaakt dat er zuurstofmaskers naar beneden vielen, maar het kwam veel vaker voor dan je zou denken. Zelf was hij een week eerder nog in een luchtzak gevallen.

„En dat was niet voor het eerst!”

We werden uit elkaar gehaald.

De rossige steward keek eerst naar de rood aangelopen dreumes op mijn schoot en daarna naar mijn nieuwe buurvrouw en zei dat we als het niet meer ging maar naar achter het blauwe gordijntje moesten komen waarvandaan hij iedereen van broodjes kaas voorzag.

„Misschien moet u nu maar naar achter het gordijntje”, zei na een halfuur mijn buurvrouw bij wie de grens lag bij fysiek contact met de baby. Ze had zich proberen te verdrinken in het tijdschrift Royals op haar schoot, maar zo ging het niet langer.

Wij naar achter het blauwe gordijntje.

„Daar zijn we dan”, zei ik tegen de rossige steward.

Hij zei ‘hallo’ terug, maar ik zag de spijt in zijn ogen.

Zijn collega, een meisje nog, zakte met een koekje in de hand door de knieën.

„Vind jij vliegen leuk?” vroeg ze de hele tijd aan de dochter. „Vind jij vliegen leuk? Vind jij vliegen leuk?”

„Tot nu toe helemaal niet”, zei ik.

„Wij ook niet meer”, zei de rossige steward.

Ik hoefde het waarom niet te weten.

We hingen zwijgend in de lucht en keken naar de steeds langere rij voor het toiletje.

„Kloppen?” vroeg de stewardess.

Ze klopte.

„Grote boodschap”, zei een mannenstem vanuit het hokje.

Er waren er twee in het rijtje die daar beeld bij kregen, ze draaiden zich om.

„Straks landen en daarna weer opstijgen”, zei de steward. „Wilt u nog een koekje?”

De dochter en ik liepen hand in hand door het gangpad terug naar onze stoel, ze mag later geen stewardess worden.

Daarna hingen we een kwartier zwijgend in de lucht.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.