Commentaar

Rechtsstaat kan verliezen als de staat het net te wijd uitgooit

Moslimconvenant

‘Gegevens mogelijk radicale moslims vijf jaar opgeslagen’, kopte NRC deze week. Waarna de vraag luidt, is dat te lang of te kort? En welke gegevens betreft dit, hoe betrouwbaar zijn die en wanneer vindt de overheid een moslim eigenlijk ‘radicaal’ genoeg. Het zijn stukjes uit de beleidspuzzel waarmee de overheid aanslagen tracht te voorkomen, te plegen door nog onbekende extremisten. Die blijken na de knal en de doden vrijwel altijd ergens door een overheidsdienst te zijn ‘gesignaleerd’, ‘op de radar’ te hebben gestaan, dan wel daar weer vanaf zijn gehaald wegens inactiviteit.

Hoe krijg je dus eventuele toekomstige kwaadwillenden op tijd in de gaten – en dan graag met behoud van hun burgerrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, religie, informatie, reizen, geweten. Kortom, het recht om je eigen leven in te mogen richten, zonder alsnog in de DDR of andere politiestaten te verzeilen.

Voor democratische rechtsstaten is dat geen nieuwe noch onmogelijke opgave. Eerder maakte Den Haag zich al dan niet met reden zorgen over de gevaren die communisten en pacifisten voor de democratische rechtsorde opleverden. Wie nu de jaarverslagen van de AIVD leest vindt daarin naast jihadisten ook radicale dierenactivisten, links- en rechtsextremisten en cyberterroristen als risicoburgers terug. Dergelijk toezicht kan rechtsstatelijk worden ingebed, met een wettelijk stelsel van toezicht, toestemming en verantwoording. Dat bestaat dan ook.

Maar niet eerder lijken op decentraal niveau OM, politie, gemeente, reclassering (!) en zelfs de kinderbescherming de handen zo ineen te hebben geslagen om informatie bijeen te brengen over jongeren die mogelijk aanslagen kunnen plegen. Het onlangs opgestelde ‘Convenant persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme’, waaruit de bewaartermijn van vijf jaar bleek, is een poging om dit alles in een rechtsstatelijk kader te houden. Dat gebeurt helaas in het vrijblijvende kader van een ‘convenant’, waarvan art. 16 dan ook luidt „dit convenant is niet in rechte afdwingbaar”. En dat zou eigenlijk wel het geval moeten zijn. Dit is iets voor het parlement en niet louter een pragmatische bestuurlijke kwestie.

Hoe en waar kan een burger zich beklagen over wat er achter deze gesloten deuren gebeurt? Mag hij of zij ooit te weten komen welke informatie daar over hem of haar is verzameld, of die ook juist was en of die ook gecorrigeerd kan worden? Een op zichzelf correcte ambtelijke afspraak, die geldt totdat het convenant in de weg zit en ‘de diensten’ nieuwe afspraken nuttiger vinden, is te weinig.

Ook relevant is de vraag wie in deze molen terecht komen. Daar geeft het convenant geen bemoedigend antwoord op. Een ‘standaardaanpak’ voor personen, gevoelig voor extremistisch gedachtengoed is er niet; een eenduidige verklaring voor dit gedrag evenmin. En dus gooit de overheid het net wijd uit. Jongeren met ‘opvallende contacten’, eventueel crimineel gedrag, een zekere overtuiging of ideologie, bij wie onvrede speelt, die propaganda raadplegen, over wie de omgeving ‘sociale zorgen’ heeft, met belangstelling voor internationale bewegingen en eventueel voor ‘trainingen’. Meer dan indicaties zijn het allemaal niet, waar zich kennelijk honderden ambtenaren in de locale ‘veiligheidshuizen’ mee bezighouden.

Het is aan te bevelen deze brede praktijk van signaleren, surveilleren, taxeren en ‘aanpakken’ nauwlettend te controleren op wat het oplevert. Anders is dit handelen uit onmacht, met de burgerrechten van vele jongeren als inzet en de rechtsstaat als verliezer.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie

Correctie (2 augustus 2017): In een eerdere versie van dit commentaar werd de kop van het commentaar geciteerd als ‘Gegevens radicale moslims mogelijk vijf jaar opgeslagen’. [red.]