Kip en ei

Zomerwoordhoek geeft toptiens van taalfenomenen. Vandaag: ei-uitdrukkingen

Foto: ANP / Piroschka van de Wouw

Mens en ei hebben sinds lang een sterke band en dat zien we terug in onze spreekwoordenschat. Het Nederlands telt vele tientallen ei-uitdrukkingen. Sommige hoor je zelden of nooit, andere heel vaak.

Heel bekend is bijvoorbeeld de onbeantwoordbare vraag: wat was er eerder, de kip of het ei? Taalkundig interessant is dat die vraag van oudsher op verschillende manieren wordt gesteld. Zo schreef Vincent van Gogh in 1882 aan zijn broer Theo: „Dat is als de kwestie wat er ’t eerst geweest is: de kip of het ei.” Enkele recentere voorbeelden: Albert Helman, in 1985: „Het is de vraag van de kip en het ei, van het zaadje en de boom”; Gerrit Komrij in 1991: „De Nederlander en zijn identiteit, het is het verhaal van (…) de kip en het ei” en Margriet de Moor in 1993: „Je strandt bij de stelling van de kip en het ei.”

Hier tien andere ei-uitdrukkingen, bekende en minder bekende.

  1. Ab ovo „Laat ik proberen opnieuw te beginnen. Ab ovo!” schreef Hans Warren in 2000 in zijn dagboek. Ab ovo is Latijn voor ‘vanaf het ei, vanaf het begin’. Gaat terug op een citaat van Horatius: Ab ovo usque ad mala (‘vanaf het ei tot de appels’). Horatius bespotte hiermee de Romeinse gewoonte om een banket met eieren te beginnen en met fruit te beëindigen.

  2. Blij ei Voor iemand die altijd maar blij en vrolijk is.

  3. Het ei van Columbus Naar de beroemde anekdote over Columbus, die overigens al in 1565 werd opgetekend door de Italiaanse historicus Girolamo Benzoni: „Columbus pakte toen het ei en maakte één kant plat door het op tafel te tikken.”

  4. Eieren in de pan slaan Was mij niet bekend, maar betekent volgens Van Dale: ‘geslachtsgemeenschap hebben’. Uit hetzelfde domein: het ei is vuil bij haar (‘zij moet bevallen’), de kip met het ei krijgen (‘trouwen met een weduwe die een kind heeft’), een ei in het riet leggen (‘een buitenechtelijk kind verwekken’) en je eieren goed ter markt brengen (‘een goed huwelijk doen’).

  5. Eitje „Dat is een eitje.” Kan betekenen: makkelijk klusje. Ook wel: appeltje-eitje. Lees: geen enkel probleem, fix ik even. Voorheen zei men in dit verband vaker: „Dat is een zacht eitje.”

  6. Gat Iemand het ei uit zijn gat vragen, als variant van iemand het hemd van zijn lijf of gat vragen. Met hetzelfde lichaamsdeel: met een ei in je gat zitten (‘zeer in verlegenheid zitten’) en je kunt een ei in zijn achterste gaarkoken (‘hij zit erg in angst’).

  7. Geld Wie eieren voor zijn geld kiest wordt gedwongen met minder genoegen te nemen. Andere ei-geld combinaties: voor een appel en een ei (‘bijna voor niets’), op de eieren zitten (‘geld onder zich houden’), en heeft hij veel eieren, hij maakt veel doppen (‘hij verkwist zijn geld’).

  8. Vier begijnen hebben om een ei te klutsen Mijn persoonlijke favoriet, in de 19de eeuw opgetekend in Vlaanderen. Betekenis: ‘er zijn hier te veel helpers’. Men zei daar ook: een ei op een kruiwagen kruien (voor ‘zinloos werk doen’).

  9. Wie kakelen wil, moet eieren leggen Wie veel praats heeft, moet aantonen iets te kunnen. Uit hetzelfde domein: pas uit het ei gekropen of gekomen zijn (‘nog jong en onervaren zijn’) en het ei wil wijzer zijn dan de kip of hen. Dit zegt of zei men tegen kinderen die het beter denken te weten dan hun ouders.

  10. Zachtgekookt ei Voorheen ook: zacht of week ei. Figuurlijk gebruikt voor doetje, watje, sulletje of sukkel.