Het abrupte einde van koffiehuis Griensteidl

De stad van kroonluchters, koetsjes en Mozart-pruiken verandert: schnitzels worden vervangen door experimentele voorleesavonden.

‘Een democratische club.” Zo omschreef de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig het Weense koffiehuis in zijn memoires, Die Welt von Gestern. Die typering geldt tot op de dag van vandaag. Het sociale leven in de Oostenrijkse hoofdstad speelt zich nog altijd deels af onder de kroonluchters in koffiehuizen als Sperl, Landtmann of Tirolerhof. Humeurige obers-in-pak, buitenlandse kranten aan een stok, gratis glaasjes water en een dagmenu voor onder de tien euro (de halve portie, de Seniorenportion, is nog goedkoper) zijn er ook nog, alsof de klok een eeuw heeft stilgestaan. En niet alleen voor toeristen. Politici, schrijvers en andere prominenten houden er ook hof. Ambtenaren van naburige ministeries of het presidentiële kantoor bestellen een ‘Kleine Brauner’ en roddelen bij. Diplomaten houden er in een rood pluchen hoekje ontbijtbesprekingen, met viennoiseries. En als ’s winters het balseizoen aanbreekt, zitten de koffiehuizen vol mensen in baljurken en rokkostuums – jongeren incluis.

Geen wonder dat de stad deze zomer een beetje uit het lood is. Een prominent lid van de democratische club is hen namelijk plots ontvallen: café Griensteidl. Op een maandag hoorde de cheffin, mevrouw Hasslauer, die er al sinds 1990 werkt, dat ze op donderdag moest sluiten. De eigenaar van het pand, het monumentale palais Herberstein, is een hout- en immobiliënmagnaat die de uitbater naar verluidt zo’n fenomenale huurverhoging heeft voorgeschoteld dat het café niet meer rendabel kan zijn.

Hetzelfde verhaal, dus, als elders in de historische binnenstad: handschoenen- en vulpennenwinkels vertrekken, flagship stores van Miu Miu of Jimmy Choo nemen hun plaats in. De laatste jaren gaat het hard.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat veel autochtonen Griensteidl haatten. Het café ligt –lag – aan de statige Michaelerplatz, naast de Hofburg. Dit is waar toeristen in kitscherige paardenkoetsjes stappen. Waar opdringerige mannen in Mozart-kostuum concerttickets verpatsen. Waar in december de meest protserige kerststalletjes staan. Een café ook waar, eerlijk gezegd, de gespritzte wijn te waterig was en de Sachertorte te droog – erger, je kreeg nooit het idee dat het de obers iets kon schelen. Men zegt dat ze slecht werden betaald. Anders dan bij Kolb of Central stonden hier zelden mensen in de rij voor een tafeltje.

Maar toch: Wenen is zichzelf niet zonder koffiehuizen. Sinds de Turken in 1683 werden verslagen en balen koffie achterlieten (zo wil het verhaal), cultiveert de stad een sterke koffiecultuur.

Griensteidl opende zijn deuren in 1847. Tijdens de arbeidersdemonstraties van 1869 was het dé pleisterplaats voor revolutionairen. Later werd het vooral een literair trefpunt. Schrijvers als Hugo von Hoffmansthal, Karl Kraus en Arthur Schnitzler, die hun intellectuele bijlen aan de wortel van het Habsburgse Rijk zetten, waren stamgasten.

In die periode kreeg Griensteidl een bijnaam die het nooit kwijtraakte: ‘Café Grössenwahn’. In 1897 sloot het, om pas in 1990 weer te openen – alsof er tussentijds niets was voorgevallen.

Als je nu door de ruiten tuurt, zie je grote zwart-witfoto’s op de grond staan. Foto’s van iets harigs, sterk uitvergroot. De nieuwe uitbater heet Friendship.is, een firma die via Facebook communiceert en „potentieel zoekt voor goede tijden”.

Vanaf midden augustus gaat Griensteidl ‘Rien’ heten. Geen schnitzels meer, maar experimentele voorleesavonden met jazz en multimediale evenementen van de „gastronomische scene”. De bedoeling is dat autochtonen het pand terugveroveren op de toeristen, en over een poosje zeggen: „Non, je ne regrette rien.” Men helpt het ze hopen. Want juist in deze stad zal dit nogal een opgave zijn.