Een brug- en tunnelmens

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: de wanhoop in de auto naar New York.

Amerika is een derdewereldland. Althans qua wegen, bruggen, tunnels, treinen en vliegvelden bungelt het ergens onder aan de wereldranglijst. Het asfalt zit vol levensgevaarlijke gaten, treinen lijken nog op stoom te werken, compleet doorgeroeste bruggen dreigen ieder moment uit elkaar te vallen. Alles kraakt en piept en rammelt. Sinds mensenheugenis is er niets veranderd aan de infrastructuur.

New York is veruit het ergst. De stad doet me denken aan een veel te dikke man met dichtgeslibde aderen en torenhoge bloeddruk. Je kunt wachten op het hartinfarct. Iedere ochtend persen miljoenen werkers en toeristen zich de stad in om daar ’s avonds weer uit te spuiten. Alles staat voortdurend en overal stil. Door ongevallen, versperde kruispunten, de gehate gridlock.

Het helpt niet dat Manhattan een eiland is. Er zijn maar een aantal toegangspoorten. Penn Station, waar de trein uit Princeton arriveert, is een ondergrondse nachtmerrie. De sporen zijn zo verouderd dat iedere dag wel een trein ontspoort. Het station wordt nu mondjesmaat gerenoveerd en er is geen peil meer te trekken op de vertrek- en aankomsttijden, zodat de stress van de forensen hoog boven het kookpunt is, zelfs op een koele dag.

De auto is nauwelijks een alternatief. Een veelheid aan verkeersstromen persen zich als door een trechter in de twee veel te nauwe tunnels, allemaal gebouwd in een grijs verleden toen er nog een handjevol T-Fordjes reden.

Elke keer is het dan ook een keus uit twee kwaden hoe naar de stad te gaan. Vandaag moet ik met man en kinderen om vijf uur in de stad zijn. Te laat komen is geen optie en dus zitten we al om twee uur in de auto om de 50 mijl af te leggen. Maar als de skyline van de Big Apple voor ons opdoemt, staan we stil in de lange bocht voor de Lincoln-tunnel. Het uitzicht op de baai en de stad is adembenemend, dat wel. Dat mensenhanden dit kunnen maken, een berglandschap van beton en metaal. Maar een uur tergend traag de tunnel voor je te zien opdoemen, doet de grootste romanticus wanhopen.

Het is de wet van de vertragende vooruitgang. Toen F. Scott Fitzgerald in de jaren twintig de trein nam van Princeton naar New York was hij er sneller dan ik nu. Dichters bezongen toen de wonderen van tunnels en bruggen.

De kinderen moeten plassen, ze hebben honger en dorst, en de benzinetank is ook niet al te vol, zie ik. Ik begin zenuwachtig te worden of we überhaupt de stad kunnen binnenkomen. Mijn auto kruipt de laatste meters vooruit. Dan mogen we de veerman van de stad tol betalen voor de ondergrondse oversteek, net op tijd voor onze afspraak.

Ik slaak een diepe zucht. Ik kan trots de bijnaam van de inwoners van New Jersey dragen. Ik ben een „brug- en tunnelmens” geworden.

Reacties naar pdejong@ias. edu.