Column

Vakantiepret

Met ieder een kind op schoot ging het per vliegtuig naar Nice. De oudste (bijna twee) zat op mij en duwde de door KLM verstrekte boterham met kaas en mayonaise in het gezicht van de vrouw naast me.

„Hap-hap.”

In Nice zaten we op de grond naast de bagageband, er werd geklapt toen de eerste koffers na lang wachten arriveerden. De huurauto – ‘een ruime gezinswagen’ – bleek te klein, na een uur onderhandelen en bijbetaling van 150 euro kregen we een andere. In het donker bereikten we het huisje op de berg waarvan we de smalle oprijlaan naast het ravijn niet durfden te nemen. Het delen van de keuken, de badkamer, elkaars ruzies, kinderen en spullen met de bevriende mensen ging wonderwel. Het meisje van vijf dat er altijd bij kwam staan als wij om zes uur ’s ochtends de eerste luiers verschoonden zei: „Hocus-pocus-pilatus-pas, ik wilde dat iedereen dood was.”

Wij lachen.

De dag erna viel onze oudste een gaatje in haar hoofd. De ambulance van het dorp werd bemand door drie brandweermannen met baarden. Over het ziekenhuis in Draguignan zou ik een roman kunnen schrijven. We hielden elkaar uren bezig in gangen waar behalve andere gewonden ook wat bejaarden in bedden lagen, van wie we niet wisten of ze dood of onder narcose waren. Het bloeden was al lang gestopt toen een dokter zich over ons kind boog.

Terug in het huisje op de berg werden we nog waakzamer. We achtervolgden de hele dag kinderen, desondanks lukte het er eentje om zich door de spijlen van het balkon te wurmen. ‘Wat doen we hier? Zijn we wel goed snik?’ vroegen we ons af nadat we het kind op het laatste moment van een sprong in het diepe hadden kunnen weerhouden.

Er was een muggenplaag, de airconditioning van de huurauto werkte niet waardoor we de baby niet durfden te vervoeren, onze haren verkleurden van het zwembadje (chloor) en overal in het bos liepen vrijwilligers met fluorescerende hesjes te snuffelen of ze bosbranden roken. De verhuurder van het huisje informeerde bezorgd of zijn bezit al was afgebrand.

De kinderen weigerden te slapen. Ze klommen uit hun bedjes, sloopten de horren tegen de muggen uit de sponningen en probeerden uit de ramen te klauteren.

De terugvlucht had vertraging. Op Schiphol werden we met twee huilende kinderen in een overvolle bus van het vliegtuig naar de aankomsthal getransporteerd. Ik zat tussen de benen van de andere mensen, de oudste trok woedend luiers uit de handbagage. Ja, we waren er echt even uit geweest. De achterblijvers op de berg stuurden een bericht: ze hadden onze portemonnee gevonden en waren nog steeds niet afgebrand. Fijn wel, we waren van die mensen gaan houden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.