Opinie

Ouders veeleisend? Ja, met een reden

Het is een wonder dat niet meer ouders de school aanklagen, vindt . Vooral ouders van zorgleerlingen.

Foto Koen Suyk/ANP

Ouders zijn lastig. Vooral de mondige, hoogopgeleide. Zij bezorgen leraren – die het toch al zo druk hebben dat zij massaal een burn-out krijgen – bergen onnodig werk met hun grenzeloze en egoïstische verzoeken. En als zij hun zin niet krijgen, dan stappen zij naar de rechter. Dat zijn de afgelopen weken veelgehoorde meningen. Onder andere van schoolleiders en de Algemene Onderwijsbond. En van staatssecretaris Dekker van Onderwijs, die de mondigheid van ouders in een brief aan de Tweede Kamer onlangs ‘zorgwekkend’ noemde.

De druppel was een islamitische moeder uit Den Haag die naar de rechter stapte omdat de school van haar kind een klassenfoto liet maken tijdens het Offerfeest. Toen de rechter deze moeder in het gelijk stelde, barstte de publieke verontwaardiging los. Vakbond CNV hield in allerijl een ‘flitspeiling’ onder 134 schoolleiders. Wat bleek? Maar liefst tweederde van hen was door ouders weleens bedreigd met een juridische procedure. „Het einde is zoek”, aldus een van de ondervraagde schoolleiders.

Lees ook: de klassenfotostrijd vraagt om een hoger beroep, schrijft Sywert van Lienden.

Zijn ouders veeleisend? Ongetwijfeld. Maar de publieke verontwaardiging hierover is ongepast. Uit talloze recente onderzoeken blijkt namelijk dat ouders in het onderwijs worden behandeld als handelingsonbekwame kinderen. Vooral ouders van zorgleerlingen. (Volgens leraren zelf valt ongeveer één op de vier leerlingen in deze categorie.) Zij blijven verstoken van essentiële informatie op cruciale momenten en zijn overgeleverd aan de willekeur van scholen, samenwerkingsverbanden en gemeenten. ‘Ouders dwalen’, zo luidt dan ook de onthutsende conclusie van het eind 2016 verschenen rapport De bomen en het bos. Leraren en ouders over passend onderwijs van het Kohnstamm Instituut.

Waar gaan de klachten van ouders over? Vooral over het schooladvies in groep 8 van de basisschool en over de verwijzing naar het speciaal onderwijs, zo blijkt uit de recente CNV-peiling. Dat zijn twee uitstekende voorbeelden van beslissende momenten waarop ouders te maken kunnen krijgen met onduidelijkheid en willekeur.

Laat ik mij hier beperken tot de verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs. Dit onderwerp heeft alles te maken met de in 2014 ingevoerde onderwijshervorming passend onderwijs; die moest de explosieve groei van speciale scholen tot staan brengen. Voor deze hervorming beslisten ouders vaak zelf of hun kind ‘beter af’ was op een speciale school. Anders dan nu bestond er voor hen nog een alternatief, namelijk dat hun kind een ‘rugzakje vol geld’ kreeg voor extra ondersteuning op een reguliere school.

Onduidelijkheid

Nu ligt de beslissing geheel in de handen van het zogeheten samenwerkingsverband – hierin werken scholen (reguliere én speciale) binnen één geografisch gebied samen op het gebied van ondersteuning. Als dat een zogeheten toelaatbaarheidsverklaring voor het speciale onderwijs afgeeft, hebben ouders zich hierbij neer te leggen. Hoe deze voor hun kind zeer ingrijpende beslissing tot stand is gekomen, is voor ouders vaak erg onduidelijk. Landelijke criteria zijn er niet. Regionale verschillen worden door het ministerie van Onderwijs omarmd. Het gevolg is dat een kind met ADHD dat in Friesland naar een speciale school wordt gestuurd, op een andere plek in Nederland gewoon in het reguliere onderwijs kan blijven.

Samenwerkingsverbanden mogen namelijk zelf beslissen wat in hun regio onder de zogeheten ‘basisondersteuning’ valt, dat wil zeggen welke ondersteuning de bij het verband aangesloten reguliere scholen leerlingen minimaal moeten bieden. Dit is de Tweede Kamer al tijden een doorn in het oog; het parlement heeft Dekker meerdere malen dringend verzocht deze basisondersteuning landelijk vast te leggen. Tevergeefs, want de staatssecretaris gelooft dat er hele mooie dingen ontstaan als je schoolbesturen maar voldoende beleidsvrijheid geeft.

Zo was de redenering bij de invoering van passend onderwijs bijvoorbeeld, dat dankzij de grote beleidsvrijheid reguliere scholen binnen een samenwerkingsverband zich spontaan zouden gaan specialiseren. De ene school een beetje in ADHD, de andere een beetje in autisme, en weer een andere een beetje in ernstige dyslexie. En voor de hele zware gevallen was er altijd nog het speciale onderwijs. Zo zou automatisch een dekkend aanbod ontstaan. Kortom, een geschikte plek voor elke leerling.

Wishful thinking

Bijna drie jaar na de invoering van passend onderwijs blijkt dit wishful thinking. De Onderwijsraad signaleert dat het aanbod uniformer wordt. „Onderlinge afstemming tussen scholen en specialisatie van ondersteuningsaanbod komt zelden voor”, schrijft de raad in het in december 2016 verschenen rapport Passend Onderwijs. „Deze ontwikkelingen kunnen ervoor zorgen dat de toegang tot specialistisch aanbod en expertise vermindert.”

De raad vindt het bovendien ‘opmerkelijk’ dat er nog steeds een beperkt aanbod is voor specifieke categorieën leerlingen die vóór de invoering van passend onderwijs ook al tussen wal en schip vielen, bijvoorbeeld leerlingen met autisme die onderwijs op havo/vwo-niveau nodig hebben. Uit de recent verschenen Monitor Samenwerkingsverbanden 2016 van Oberon blijkt dat er op dit moment zelfs een groot gebrek is aan geschikte onderwijsplekken voor kinderen die thuiszitten. Dat is opmerkelijk, het terugdringen van het aantal thuiszitters is namelijk een van de belangrijkste doelen van passend onderwijs. Dit is tot nu toe niet gelukt, zoals het ook nauwelijks is gelukt om meer kinderen binnen het reguliere onderwijs te houden.

Lees ook het commentaar van NRC over deze kwestie: Rechtszaak over klassenfoto toont vooral polarisatie.

Geld niet het probleem

Geld is het probleem niet: jaarlijks krijgen de samenwerkingsverbanden 2,4 miljard euro voor de ondersteuning van leerlingen. Waaraan dit geld wordt besteed, is helaas volstrekt onduidelijk, zo constateerde de Algemene Rekenkamer onlangs.

Intussen maken het uitblijven van daadwerkelijk passend aanbod, het gebrek aan essentiële informatie en de grote regionale verschillen veel ouders wanhopig. En ja, zij laten zich soms horen. Een klein aantal stapt zelfs naar de rechter. Hun veeleisendheid en mondigheid verwijten, getuigt van blindheid voor de werkelijke problemen in het onderwijs.