Recensie

Van der Laan in Zomergasten: de burgemeester die geen politicus wil zijn

Zomergasten

Eberhard van der Laan zorgde als tweede Zomergast van het seizoen voor een drie uur durende oase van beschaving en respect. Met een emotioneel slot.

Eberhard van der Laan in 'Zomergasten' (VPRO)

De Zomergast zegt het zelf al tegen het einde van de aflevering: probeer mensen minder te beloven en ze dan te verrassen wanneer je meer waarmaakt. En dat is precies wat de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan zondag in de tweede aflevering van Zomergasten doet.

Tegen het einde verrast hij ons, en presentator Janine Abbring, met aanstekelijke emoties die bij hem niet meer te onderdrukken zijn en daarna niet meer te stoppen. Van der Laan is geraakt door de verbroedering die plaatsvond door Ajax-voetballer Abdelhak Nouri bij zijn huis in Geuzenveld. Het bewijs van de oud-PvdA-minister en raadslid, dat zijn eerste opvallende opmerking, aan het begin van de avond, „ik ben geen politicus”, ergens toch klopt. Want wanneer zien we andere emoties dan woede en verontwaardiging bij onze politici?

Dat deze aflevering eerder is opgenomen, werd al snel duidelijk. Van der Laan heeft uitgezaaide longkanker en die „gaat alle kanten op”. Hij wil de mogelijkheid hebben om eerder te stoppen, stel hij krijgt een „wegvallertje”. Daarna wordt het eerste fragment getoond. Lang stilstaan bij de ziekte is niet nodig, we gaan zelf ondervinden hoe het met hem gaat.

We zien beelden uit verschillende Europese landen waar nog niet zo lang geleden dictatoriale regimes zijn gevallen. Het vrije Europa is nog redelijk nieuw, vertelt Van der Laan. We moeten inzien wat we al hebben bereikt, is zijn boodschap, en wat we in staat zijn mogelijk te maken. Daarna gaat hij naar de moord op de Amsterdamse juwelier Fred Hund in 2010. Hij heeft kort geleden nog zijn weduwe Tine bezocht. In die tijd gingen daders als Soufiane B. langer hun gang, vertelt Van der Laan, die toen al burgemeester was.

Nu is er een Top600- en Top1000-lijst van jonge criminelen, die met de hulp van school, familie en instanties worden begeleid – en met succes. De 600-lijst is nu niet eens meer te vullen, zegt hij, met ingehouden trots. „Je mag er wel credits voor nemen”, zegt Abbring. Maar daar is hij niet van. De aflevering is een drie uur durende oase van beschaving en wederzijds respect. Door vaak „sorry” te zeggen en „als jij dat goed vindt” blijft Van der Laan bescheiden en laat hij Abbring weten dat zij de leiding heeft. Die neemt ze vol vertrouwen.

Meerdere keren valt het woord Marokkaan, terwijl Marokkanen in Marokko wonen. Toch gek dat een burgemeester en een VPRO-presentatrice anno 2017 dit soort fouten maken. Daarna gaat het een tijdlang over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar de ouders van Van der Laan actief in waren. Abbring citeert uit een boek dat samen met zijn moeder tot stand kwam. Zijn moeder was in die tijd angstig, maar daarom ook moedig had hij op haar begrafenis gezegd.

Abbring gaf het duwtje richting zijn volgende gedachte; want alleen als je gevaar hebt, weet je wat angst is, en als je die angst kan hanteren kan je moedig zijn. Van der Laan maakt duidelijk dat Nederlanders toch echt wel een grote rol speelden in het verzet tegen de nazi’s, het zat hem duidelijk dwars. Maar wie dan het tegendeel beweerde was niet duidelijk. Hier en op een paar andere momenten had Abbring moeten doorvragen.

Van der Laan geeft zichzelf een beetje bloot na een fragment over het leven van ballerina Igone de Jongh. Hard werken en daarna uitblazen herkent Van der Laan. Probeert hij door hard te werken zijn ziekte te vergeten? Van der Laan geeft eerlijk toe dat hij „wegduwerig” kan zijn, dat hij met zijn familie en vrienden wel over zijn ziekte praat, maar dat hem dat niet makkelijk vergaat.

De film Mississippi Burning uit 1988 komt ter sprake, Van der Laans keuzefilm, die het „keiharde racisme” in Amerika laat zien. De brug naar de racismediscussie in Nederland wordt niet gemaakt. Van der Laan wil het wel hebben over politici die te veel bezig zijn met scoren en te weinig met problemen oplossen. Ze doen niet wat de burgers willen, zegt Van der Laan. Maar waarom scoren ze er dan toch goed mee? Daarna gaat het over zijn zorgen over wereldstad Amsterdam: de dure huizen, de vele toeristen.

De grote verrassing komt aan het einde na de beelden van Nouri in Geuzenveld. Nouri’s broer is onderwijsassistent op de Calvijnschool, die tien jaar terug misschien wel de slechtste school in het land was. „We moeten de beste scholen in de slechtste wijken bouwen.” Zo krijgen jongens als Nouri een kans. Even later houdt hij het niet meer: „Laten we even doorgaan.” Hij kijkt naar het scherm, met zijn rug naar de camera. „O, moet ík doorgaan?”, zegt Abbring, „sorry”. Ze nemen een slokje wijn.

Tot slot wil ze weten welke erfenis de Amsterdammers moeten doorgeven. „Dat het de lieve stad blijft die het is”, zegt hij. „En je hebt hem ook liever gemaakt”, zegt Abbring. Het zal een van de meest menselijke momenten zijn die ooit aan een zomergastentafel heeft plaatsgevonden. „Ik hoop het”, zegt Van der Laan. „Ik weet het wel zeker.” Abbring verliest het ook bijna, maar herpakt zich op een creatieve wijze. Je weet dat Van der Laan en Abbring elkaar nog vaker gaan zien.