Alles op alles om Syrisch erfgoed te redden

Archeologie

Archeologen maken een reconstructie van hun eigen vondsten die in het Syrische oorlogsgeweld verloren zijn gegaan.

Achttien jaar lang heeft hij ieder jaar in Syrië opgegraven. En dus voelt archeoloog Olivier Nieuwenhuijse, verbonden aan het Centre for Global Heritage and Development van de Universiteit Leiden, zich verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed dat tijdens de burgeroorlog is verwoest. „Nederland heeft een lange onderzoekstraditie in het noordwesten van Syrië”, zegt Nieuwenhuijse. Daarom voelt hij zich extra betrokken bij de archeologische objecten en vindplaatsen in en om Raqqa, uitgeroepen tot hoofdstad van IS. Aan de verwoestingen kan hij niets doen, maar hij wil wel de schade zo veel mogelijk beperken en zelfs al een basis leggen voor de toekomst. Dat doet hij met drie initiatieven.

Reconstructie van een museum

Met het project Focus Raqqa wil Nieuwenhuijse een begin maken met een virtuele reconstructie van de collectie van het oudheidkundig museum van Raqqa. In dat museum waren de mooiste vondsten beland van de Nederlandse opgravingen van Tell Sabi Abyad en Tell Hammam et-Turkman, en enkele Duitse opgravingen. Sabi Abyad is bewoond geweest vanaf het achtste millennium voor Christus en was tijdens de Midden-Assyrische tijd (1550-1250 voor Christus) een soort garnizoensplaats. Hammam is vanaf ongeveer 4500 voor Christus bewoond geweest en bevatte onder meer een tempel, een ommuurde stad en een administratief centrum.

Zwaarbewapende mannen van IS zijn naar de bank gegaan en hebben de kluis alsnog leeggeroofd

Terwijl de Syrische archeologische dienst elders de belangrijkste vondsten op tijd in veiligheid wist te brengen voor de oprukkende strijders van terreurgroep IS, lukte dat in Raqqa niet. Door de onverwacht snelle opmars van IS konden de medewerkers van het museum alleen nog 512 topstukken in een kluis van een bank opslaan. Nieuwenhuijse: „Het ging onder meer om 184 middeleeuwse munten, toen Raqqa de hoofdstad was van het Abbasidische Rijk, en verder sieraden, kleitabletten met spijkerschrift, mensbeeldjes en cilinderzegels. Zwaarbewapende mannen van IS zijn naar de bank gegaan en hebben de kluis alsnog leeggeroofd.”

Wat restte van de hele collectie waren een handgeschreven inventarislijst van de objecten in de kluis en het ‘Raqqa Museum Book’. „Een groot formaat kasboek, met een korte beschrijving in het Engels en Arabisch van 6.000 inventarisnummers, voorzien van de handtekeningen van de museumdirecteur en de opgravingsleiders die de objecten afleverden.”

Nieuwenhuijse is nu bezig om die gegevens te koppelen aan de uitgebreidere beschrijvingen en foto’s in de opgravingsverslagen. „Veel documentatie is hier in Leiden, maar ik was bang dat Duitse collega’s moeilijk zouden doen over zaken als copyright. Het tegendeel is het geval. Ze zijn zeer hulpvaardig, ook bij het opsporen van vroegere opgravingsleiders die nu in de tachtig zijn. Dan vertellen ze dat de archeoloog in kwestie geen e-mail meer leest, maar dat ze beschikken over het e-mailadres van een neefje. Via hem kan ik aan de gewenste informatie en foto’s komen.”

Met een subsidie van ongeveer 20.000 euro van onder meer het Prins Claus Fonds heeft Nieuwenhuijse als proef een database gemaakt van de 512 objecten die uit de bank zijn geroofd. „We willen die informatie delen met Interpol en veilinghuizen. We hopen de objecten op deze manier lastiger verkoopbaar te maken.”

Kopieën van kleitabletten

Bij een tweede project, Scanning for Syria, gaat het erom de wetenschappelijke informatie van geroofde kleitabletten met spijkerschrift van Tell Sabi Abyad en fragmenten aardewerk met textielafdrukken van een Duitse opgraving in het West-Syrische Sir veilig te stellen. „Een tablet vertelt bijvoorbeeld dat er ongeregeldheden zijn geweest met dronken nomaden bij Tell Sabi Abyad. Ze mogen er nog wel hun bier kopen, maar moeten dat voortaan bij hun eigen tenten opdrinken. En de textielafdrukken maken duidelijk welke soort textiel rond 6400 voor Christus werd gebruikt.” Op beide opgravingen had Nieuwenhuijse indertijd siliconen mallen gemaakt met het idee later gipsafgietsels van de tabletten en aardewerkfragmenten te maken. Het was er echter nog niet van gekomen. „Achteraf gezien een geluk, want nu zijn de mallen nog schoon en kunnen we ze scannen, om er beter leesbare 3D-prints van te maken.”

Een van de drie door Nieuwenhuijse geraadpleegde spijkerschriftdeskundigen die moesten vaststellen of de print goed leesbaar was, weigerde dat in eerste instantie omdat de afdruk turkoois was. „Hij was gewend aan een bruinige kleikleur. Maar de mensen die de prints maken hadden voor turkoois gekozen, omdat uit onderzoek zou blijken dat in die kleur het beste details te zien zijn. De eerste print was nog wel glanzend, maar mat blijkt beter leesbaar te zijn.”

Een subsidie van 18.000 euro van NWO maakt het mogelijk voorlopig twintig kleitabletten te scannen en te printen. „Daarvan maken we een kleine tentoonstelling, die in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, Musée Quai Branly en wellicht Zweden te zien zal zijn.”

Wilkinson: oude aantekeningen

Tot slot is Nieuwenhuijse bezig om de gegevens van veldverkenningen door Nederlandse archeologen en de Engelsman Tony Wilkinson (1948-2014) van het Oriental Institute van de Universiteit van Chicago uit te werken tot een digitale kaart. Maurits van Loon (1923-2006), de grondlegger van de archeologie van Opper-Mesopotamië, en later zijn opvolgers ontdekten in de Balikh-vallei in het noordwesten in het landschap tussen de duidelijk zichtbare ruïneheuvels zoals Tell Sabi Abyad honderden andere archeologische sporen en vindplaatsen. Dat geldt ook voor Wilkinson, een andere grote naam in de archeologie van het Nabije Oosten. „Hij is bekend geworden als de ontdekker van de holle wegen”, vertelt Nieuwenhuijse. „Als je op luchtfoto’s naar de tells kijkt zie je een soort stralenkrans: allemaal wegen. Zelf is het me nooit gelukt, maar Wilkinson ontdekte ze ook vanaf de grond. Na zijn dood is zijn archief naar Leiden gestuurd.”

Veel van die door veldverkenningen ontdekte vindplaatsen zijn intussen verdwenen. „In 1988 en 1991 is bijvoorbeeld een klein neolithisch dorpje ontdekt en opgegraven. Maar een paar jaar later was het weg: vernietigd bij de aanleg van een groot irrigatiekanaal.”

Samen met het Spatial Information Laboratory van de Vrije Universiteit Amsterdam verwerkt hij de vindplaatsen in een digitale ruimtelijke database. Nieuwenhuijse houdt zelfs al rekening met een toekomst waarin de Syrische oudheidkundige dienst weer overal zijn werk kan doen. „Met onze database kunnen we verwachtingskaarten maken, zodat er bij bouw- en renovatieprojecten van tevoren rekening kan worden gehouden met het archeologisch erfgoed. ”